Jaargang 37 (2017)
Nummer: 4
Artikel: 1

Icoon

DT-37-4-1.pdf 491.50 KB 8 downloads

Ten gelei(n)de ...

Einde. Dat is, zeker in het verleden, vaak de laatste tekst van een boek of een film,
waarmee luid en duidelijk wordt aangegeven dat het verhaal afgelopen is. In het theater valt dan
het doek. Met dit nummer van Dth, dat u nu aan het lezen bent, valt ook het doek,
en wel voor ons prachtige tijdschrift. Het is de laatste aflevering. Niet alleen van dit
kalenderjaar, maar voor altijd. Het einde van 37 jaar van het tijdschrift met de titel
Directieve Therapie dat in het begin nog Kwartaalschrift voor Directieve
Therapie en Hypnose
heette, liefdevol afgekort tot Dth. Die afkorting kon
blijven toen in 1985 de naam werd gewijzigd in Directieve Therapie. 37 jaar was het
beschikbaar voor een groot lezerspubliek. Maar zo begon het niet. Voordat het een door een echte
uitgever uitgegeven tijdschrift werd, was er vanaf de jaren zeventig al het Tijdschrift
voor Directieve Therapie
dat een oplage kende van zeven exemplaren, voor een select
gezelschap. Zeven exemplaren voor zeven auteurs, zeven vrienden, die met en voor elkaar hun
gedachten over goede therapie op deze wijze wilden delen en bediscussiëren. Als ze tevreden
waren over hun pennenvruchten schroomden ze niet om deze te publiceren in de vier delen dikke
boekenreeks Directieve therapie (deze werd in 2010 deels, en herschreven, nog eens
uitgebracht in een gelijknamig boek). Het waren zeven directief therapeuten, die uiteindelijk de
grondleggers waren van Dth, onder de onovertroffen aanvoering van Kees van der
Velden als eindredacteur, met naast hem Richard van Dyck, Onno van der Hart, Kees Hoogduin, Leen
Joele, Alfred Lange en Dick Oudshoorn. Een ‘jongensclub’, die vond dat therapie meer creatief op
symptomen en de dagelijkse praktijk gericht uitgevoerd zou moeten worden, ontdaan van allerlei
gewichtigdoenerij.

Gewoon, in therapie concreet doen wat werkt, vooral zo kort als mogelijk, met respect voor
de patiënt die ook maar een mens met klachten en problemen is die daar snel vanaf wil. Een
patiënt die daarvoor soms direct, soms indirect, nog wat extra gemotiveerd moet worden, en die
bijna altijd handvatten aangereikt wil krijgen. In de begintijd van de directieve therapie was
dit voor velen nog een afschuwwekkende gedachtegang. Maar anno 2017 is deze gedachtegang heel
normaal, hoewel hij vaak wel weer verpakt wordt in dure termen als ‘op methodische en
transparante wijze gepast gebruikmaken van personalised evidence-based
outcome
-gerichte protocollaire behandelingen’ waartoe besloten wordt na ‘een proces van
shared decision making‘. De directieve therapie is echt een eind gekomen. Ze is
uitgegroeid van een rebellenclub met een groot hart voor mensen met hun problemen tot een
mainstream wijze van behandelen van patiënten met een psychische aandoening. Haar gedachtegoed
is in ieder geval overgenomen door andere stromingen in de psychotherapie. Tegelijkertijd is de
directieve therapie steeds meer gaan lijken op andere stromingen. Daarmee heeft ze zichzelf
overbodig gemaakt; is haar missie geslaagd. Althans, dat zou je kunnen concluderen als je ziet
dat het lezerspubliek van Dth de laatste jaren fors is afgenomen.

Een afname die niet uniek is voor een tijdschrift als Dth. Tijdschriften
hebben het sowieso moeilijk in deze tijd van overal en altijd beschikbare, veelal gratis
digitale informatie —tenzij het tijdschrift gekoppeld is aan een lidmaatschap van een
vereniging. Directieve therapie heeft nooit een therapievereniging willen zijn. Haar bedoeling
was door publicatie van aansprekende casussen, onderzoek, reflectie en discussie een bron te
zijn van bezinning op het vak en daarmee een stimulans om toch vooral geen probleem te groot te
vinden of te maken. Waar de publicaties van Dth in aanvang meer de vorm hadden van
behandelbeschrijvingen met creatieve hoogstandjes, werden het steeds meer publicaties waarin
aandacht werd besteed aan hoe bewezen effectieve, vaak protocollaire behandelingen in de
praktijk van alledag goed kunnen worden aangepast aan en toegepast bij onze diverse patiënten.
En daarover wordt, gelukkig maar, vanuit inmiddels veel meer bronnen gepubliceerd. Het
onderscheidend vermogen van Dth als onafhankelijk tijdschrift is daarmee verdwenen.
Dit maakt Dth dan ook steeds meer overbodig. Ik ben geneigd het afnemend aantal
abonnees te zien als een signaal dat het doel van de directieve therapie is bereikt. Ze is
klaar, haar missie geslaagd.

En toch, aan het eind van een mooi en meeslepend verhaal, waarin je je hebt kunnen
identificeren met de hoofdpersoon, blijf je dan enigszins zitten met een gevoel van weemoed. Je
wilt het boek nog niet dichtklappen, nog niet opstaan uit de stoel van de bioscoop of het
theater. Hoe zal het verdergaan? Leven ze echt nog lang en gelukkig? Is dit echt het einde van
het verhaal? Komt er niet nog iets? Zal het gedachtegoed van de directieve therapie blijven
bestaan? Ik durf wel te stellen dat de directieve therapie en de publicaties in Dth
grote invloed hebben gehad op de ontwikkeling van de psychotherapie in Nederland. Ik geloof dat
ze er een integraal deel van zijn gaan uitmaken. En dat de tijd waarin we leven nog steeds, en
misschien wel meer dan ooit, een directief-therapeutische aanpak van psychische klachten en
problemen vraagt. De directieve therapie heeft de maatschappelijke ontwikkelingen mee. ‘Steeds
beter doen wat werkt’ is het motto.

Daarom, nog één keer, zoals u gewend was, een editie met een keur aan lezenswaardige
bijdragen, waarbij we beginnen met een voorpublicatie van een hoofdstuk van de hand van Kees
Korrelboom over De transdiagnostische benadering. In dit artikel zet Kees de
diagnosespecifieke benadering ter indicering van een behandeling af tegen de transdiagnostische
benadering. In de diagnosespecifieke benadering is een steeds terugkerend probleem hoe om te
gaan met comorbiditeit, en de transdiagnostische benadering zou hierop althans deels een
antwoord kunnen formuleren. Kees maakt mede aan de hand van veel voorbeelden duidelijk hoe de
ene benadering de andere niet uitsluit, maar dat ze deels naast elkaar gebruikt en toegepast
kunnen worden. De transdiagnostische werkwijze komt op verschillende niveaus al veel meer terug
in onze alledaagse praktijk dan gedacht. Niet alles uit de transdiagnostische benadering is
nieuw en nog in ontwikkeling. Maar het is zeker ook niet zo dat het alleen maar oud is. Het
hoofdstuk geeft een mooi overzicht van wat de transdiagnostische benadering behelst en voor ons
in de toekomst in petto heeft.

Het volgende artikel is van de hand van Marisol Neijenhuis, Rianne de Kleine, Gert-Jan
Hendriks, Pauline Jacobs en Agnes van Minnen, getiteld Zelfcompassie bij patiënten met een
posttraumatische-stressstoornis (PTSS): Een kwestie van depressie?
Dit artikel gaat over
een onderzoek naar de relatie tussen het vermogen tot een onvoorwaardelijke, vriendelijke,
zelfgerichte houding, ofwel zelfcompassie, en de ernst van een PTSS. Uit dit onderzoek blijkt
dat de aanwezigheid van comorbide depressieve klachten een niet te onderschatten rol speelt in
de relatie tussen zelfcompassie en de ernst van de PTSS. De onderzoekers, allen tevens clinici,
verlevendigen dit onderzoek met een patiëntcasus.

Dat geldt ook voor de volgende bijdrage, die bij de vorige aansluit. Pauline Jacobs, Lotte
Hendriks, Rianne de Kleine, Marisol Neijenhuis, Mike Rinck en Agnes van Minnen beginnen hun
onderzoeksartikel met een casus. Daarmee leiden zij het onderwerp Expliciete en impliciete
zelfwaardering bij patiënten met posttraumatische-stressstoornis (PTSS)
in om
vervolgens verslag te doen van hun bevindingen. Zij vonden een samenhang tussen lage expliciete
zelfwaardering en een hoge ernst van de PTSS, maar tegen de verwachting in geen samenhang tussen
impliciete zelfwaardering en PTSS. Over hoe dat kan laten ze, zoals het onderzoekers betaamt,
hun gedachten gaan. Tegelijkertijd hebben ze ook een paar suggesties voor de praktijk over wel
of geen aandacht besteden aan zelfwaardering in de behandeling van PTSS.

De afgelopen afleveringen van Dth hebben we met regelmaat artikelen voorbij
zien komen over patiënten met een lichte verstandelijke beperking en psychische aandoeningen. We
plaatsen in dit nummer opnieuw een artikel over deze doelgroep. Onderwerp is een onderzoek naar
knelpunten en oplossingen om de toegang tot verslavingszorg voor patiënten met een lichte
verstandelijke beperking te verbeteren. Dit onderzoek heeft geleid tot een handreiking voor
professionals gericht op het tijdig kunnen herkennen van problematisch gebruik en van lichte
verstandelijke beperkingen, het aanpassen van de intakeprocedure in de verslavingszorg en het
verbeteren van de samenwerking tussen verslavingszorg en VG-zorg. Joanneke van der Nagel, Louise
Kemna, Cas Barendregt en Elske Wits laten in hun bijdrage onder de titel (H)erkend en
juist behandeld: Een LVB-vriendelijke intake in verslavingszorg
zien dat ook hier met
enige aanpassing het nodige voor deze doelgroep te bereiken valt. Een en ander van de
voorgestelde aanpassingen zou ook door de algemene ggz overgenomen kunnen worden.

Kees Korrelboom en Marc Verbraak laten, hoewel ze de ontwikkeling van zorgstandaarden een
bijzonder warm hart toedragen, een kritisch geluid horen over de Zorgstandaard Angststoornissen
in hun notitie getiteld Jammer: De Zorgstandaard Angststoornissen is een hybride geworden
van wetenschappelijke kennis en emancipatorische ideologie
. Ze vragen zich openlijk af
of deze zorgstandaard niet wat doorgeslagen is in het incorporeren van het patiëntperspectief.
En zo tot een inzet en opzet van zorg voor patiënten met angststoornissen leidt waar het
merendeel van deze patiënten helemaal niet op zit te wachten— nog even los van de
wetenschappelijkheid van deze aanbevelingen.

We sluiten zoals u gewend was af met een boekrecensie. Tom Kuipers geeft zijn mening over
Van de straat: De straatcultuur van jongeren ontrafeld van de hand van Frank van
Strijen.

En dat was het dan. Als trouwe lezer van dit tijdschrift wil ik u namens mijn
mederedactieleden van harte danken voor het in ons gestelde vertrouwen. U zult uw onverwachte
doorzichten, bruikbare inzichten of plezierige inspiratie op andere wijze tot u moeten laten
komen. Maar dat is een directief therapeut wel toevertrouwd. Ik wens u bij dit allerlaatste
nummer vooral toe dat u blijft doen wat werkt.

Mede namens de redactie,

Marc Verbraak
Hoofdredacteur

Icoon

DT-37-4-1.pdf 491.50 KB 8 downloads

Ten gelei(n)de ...