Jaargang 12 (1992)
Nummer: 1
Artikel: 115

Icoon

DT-12-1-115.pdf 534.96 KB 11 downloads

Hypnose: een overzicht van de stand van zaken ...

R. van Dyck, Ph. Spinhoven, A.J.W. van der Does, Y.R. Rood & W. de Moor (red.), Hypnosis; Current theory, research and practice . Amsterdam: VU University Press, 1990, 230 p.

Een boek dat in 1990 is uitgegeven lijkt van redelijk recente datum. Neemt men echter in aanmerking dat het hier een verzameling betreft van bijdragen aan een congres dat in 1988 (in Nederland) is gehouden, dan moge duidelijk zijn dat ‘recentheid’ niet het opvallendste punt van dit boek is. Het heeft kennelijk lang geduurd voor de redacteuren hun keuze hadden gemaakt en ook het redigeren heeft kennelijk tijd gekost. Daarmee komen we meteen op de positieve kant. Die lange tijd is nuttig besteed. Hypnosis is een bijzonder interessante bundel geworden met vijfentwintig korte hoofdstukken (gemiddeld negen pagina’s), waarin het vooral over onderzoek naar diverse aspecten van hypnose gaat.

Het boek bevat drie delen. Deel 1is overwegend theoretisch van aard, met een plezierig relativerende introductie van Hilgard. De Moor beschrijft waarom zijns inziens ‘hypnotic talent’, de experiëntele capaciteit om geabsorbeerd of geïnvolveerd te zijn, strikt noodzakelijk is. De bijdrage van Lynn, Rhue & Weekes bevat informatie over experimenten waarin proefpersonen paradoxale opdrachten kregen in de trant van ‘Verzet je tegen de suggestie’. Interessant, maar de uitwerking ervan was voor mij niet helemaal duidelijk. Coe probeert hypnotische amnesie sociaal–psychologisch te verklaren.

Belangrijk maar niet gemakkelijk is de bijdrage van Gruzelier over neurofysiologisch onderzoek, met name om de vraag welke hersenhelften in welke fase van de inductie het meest geactiveerd zijn. Bánayai et al. betogen dat het er niet toe doet welke methoden de hypnotherapeut gebruikt om een goed contact te leggen met de cliënt, als het maar zijn favoriete methode is. Erg overtuigend vind ik hun onderzoek, dat op slechts twee gevallen is gebaseerd, niet. Zeer gecharmeerd was ik daarentegen van de bijdrage van Karen Olness, waarvan een bewerking al eens in Dth heeft gestaan. Zij geeft een kort overzicht van de bevindingen over de mogelijkheden van hypnose bij de beïnvloeding van immuniteit en pijn bij zieke kinderen.

Deel 2 bevat zeven experimentele studies. Het zijn stuk voor stuk gespecialiseerde onderzoeken. Ik zal ze niet allemaal noemen. Het meest interessant vond ik het onderzoek van Bongartz naar de invloed van hypnose op de aantallen witte bloedlichaampjes.

Deel 3 gaat over de praktijk. Het wordt ingeleid door Fred Frankel. Het bevat bijdragen over onder andere hypnotiseerbaarheid als voorspeller van succes in psychiatrische behandelingen (Evans), over het gebruik van hypnose bij kinderen met een multipele–persoonlijkheidsstoornis (Kluft), over hypnoanalyse bij incestslachtoffers (Erika Fromm), over cognitieve strategieën bij pijnbeheersing (Spinhoven et al.) en over de hypnotiseerbaarheid van patiënten met boulimie (Barabasz).

Hypnosis is geen handboek en ook geen kookboek. Het is niet in de eerste plaats bedoeld voor hen die vooral in de praktische toepassing zijn geïnteresseerd. Maar voor therapeuten die hypnose gebruiken en zich ook willen verdiepen in de achtergronden en de manier waarop er op dit terrein onderzoek wordt gedaan is het een rijk boek en dus een aanrader. Al zijn de bijdragen over het algemeen kort, de meeste onderwerpen worden op een verantwoorde manier behandeld.

Icoon

DT-12-1-115.pdf 534.96 KB 11 downloads

Hypnose: een overzicht van de stand van zaken ...