Jaargang 12 (1992)
Nummer: 4
Artikel: 406

J. de Keijser en H. Schut. Individuele rouwbegeleiding. Een programma voor hulpverleners. Houten: Bohn Stafleu Van Loghum, 1991, 201 blz., f 37,50.

De auteurs van Individuele rouwbegeleiding constateren in hun voorwoord dat er de laatste jaren veel aanmeldingen zijn van cliënten die last hebben van ‘milde verstoringen van het rouwproces, waarvoor weinig specifieke hulpverleningsprogramma’s bestaan’. Zij hebben dergelijke programma’s samengesteld en op effectiveieit onderzocht. Over dat onderzoek is in 1989 een intern rapport van het FIOM gerapporteerd. In dit boek gaat het alleen over de praktijk. Het boek lijkt bedoeld om behandelaars met dit programma vertrouwd te maken. Ter wille van de leesbaarheid hebben de auteurs ervoor gekozen weinig literatuurreferenties te geven. Kortom, het moest een boek voor de praktijk worden.

In hoofdstuk I worden enkele uitgangspunten besproken, met als hoofdschotel de ‘rouwtaken’ (accepteren van de realiteit van het verlies, het ervaren van de pijn en het aanpassen aan de nieuwe omgeving). Dit alles wordt in klare taal beschreven. Minder sterk is de paragraaf over indicatiestelling, waarin niet duidelijk wordt welke gedragingen of problemen van cliënten de keuze voor een rouwverwerkingsprogramma bepalen.

Opvallend is dat de auteurs stellen dat rouwprogramma’s pas anderhalf jaar na het overlijden van de dierbare persoon behoren te starten. Daarvóór moet de natuurlijke genezing zijn werk kunnen doen. Dat er een periode van niet-interveniëren moet zijn is een gangbaar gegeven, maar hoe de auteurs aan ‘anderhalf jaar’ komen wordt niet vermeld. In de literatuur wordt sinds de publikaties van RamsayRamsay, R.W. (1979). Rouwtherapie. In: J.W.G. Orlemans et al. (red.), Handboek voor gedragstherapie. Deventer: Van Loghum Slaterus.

meestal van een halfjaar uitgegaan. Verder is in dit hoofdstuk de paragraaf over psychofarmaca niet bepaald sterk. Er wordt een kort overzicht gegeven van diverse middelen zonder dat duidelijk is hoe het gebruik daarvan past in de behandeling van rouw.

Hoofdstuk 2 is gewijd aan de eerste fase van het programma. Hierbij worden enkele bruikbare onderdelen genoemd, zoals het inventariseren van het probleem, het vragen naar de feitelijke toedracht, het vragen naar hoe het vroeger was en nu gaat, en het geven van informatie. Deze onderdelen zijn erg basaal en de opsomming ervan levert niet de verwachte handleiding.

Echt moeite had ik met de manier waarop de begeleider zou moeten kiezen tussen een directief en een non-directief programma. Om te beginnen is op deze plaats in het boek nog niet uiteengezet wat het verschil is. Bovendien blijken praktisch alle indicaties volgens de auteurs te vragen om een directieve aanpak. Hoezeer ik ook van directieve therapie gecharmeerd ben, ik snap hun redeneringen hierin niet.

In hoofdstuk 3 komt dan de beschrijving van de directieve werkwijze. ‘Nu gaat het beginnen, nu krijg je een overzicht van het programma’, dacht ik. Helaas valt dat tegen. Er wordt wel kort aangegeven welke technieken er zoal bestaan: confrontatie (exposure), cognitieve therapie en sociale vaardigheidstraining, maar hoe deze technieken nu in een rouwverwerkingsprogramma worden gehanteerd en welke timing men daarbij dient aan te houden komt niet aan bod.

Het hierop volgende hoofdstuk gaat alleen over de ‘non-directieve werkwijze’. Ook hierin worden enkele algemene technieken, zoals ‘microcounseling’ kort aangestipt, maar de relatie met het programma is wederom onduidelijk.

Hoofdstuk 5 ten slotte behandelt een aantal losse thema’s die op het onderwerp betrekking hebben, zoals: Wat voor soorten verlies zijn er? Wat voor reacties kunnen er bij de cliënt zelf zijn? Wat is de rol van de omgeving? Op zich gaat het hier om betekenisvolle onderwerpen, maar opnieuw blijft het allemaal te basaal, zonder reflectie over wat dit allemaal betekent voor de opstelling van de hulpverlener en de keuzes die hij moet maken.

De bijlagen, die ongeveer de helft van het aantal pagina’s in beslag nemen, zijn nuttig. Deze bevatten de volgende onderwerpen: informatiebrochures over rouw, over de werkwijze in de voorgestelde behandeling (met o.a. een beschrijving van de zg. verliesladder en van de ‘confrontatietechniek’) en over sociale vaardigheidsoefeningen. Daarnaast bevatten de bijlagen ‘herkenningsliteratuur’ (waarin de cliënt kan lezen over rouwverwerking door anderen), huiswerkopgaven en een lijst van aanbevolen literatuur. Pas in deze bijlagen begint de lezer te begrijpen waarom de auteurs kunnen spreken van een programma.

Hoewel Individuele rouwbegeleiding wel vlot en leesbaar is geschreven kan ik er niet echt enthousiast over zijn. Dit is jammer, want ik ben ervan overtuigd dat het de auteurs niet ontbreekt aan kennis over het onderwerp en ook niet aan goede therapeutische opvattingen. Maar het is onduidelijk voor wie het boek in deze vorm van nut is. Voor de klinicus die goed op de hoogte is van (verstoorde) rouwprocessen en gestructureerde manieren om cliënten daarbij te helpen biedt het wel een overzicht maar is de stof zeer basaal. De wat minder geïnformeerde hulpverlener zal er wel nieuwe feiten en technieken aantreffen maar ik vraag me af of de manier waarop de stof is gepresenteerd niet tot veel verwarring kan leiden. Het is de auteurs helaas niet gelukt hun kennis zo op te schrijven dat er een didactisch goed te hanteren boek is ontstaan. Dat zou misschien wel zijn gelukt als de auteurs de lezer aan de hand van enkele gedetailleerd uitgewerkte voorbeelden van begin tot einde door het programma hadden geloodst, met daarbij een meer diepgaande bespreking van keuzes en timing.