Jaargang 12 (1992)
Nummer: 1
Artikel: 116

Per jaar worden meer dan duizend tijdschriftartikelen gewijd aan het verschijnsel angst. Onderzoek ernaar houdt honderden onderzoekers bezig. Hun werkzaamheden kunnen dynamisch genoemd worden: opgeloste vragen genereren nieuwe kwesties en met de oplossing daarvan hebben weer nieuwe onderzoekers het druk. Te druk om zich te bekommeren om de fundamentele wetenschapstheoretische problemen die actueel worden door hun bedrijvigheid. Die problemen zijn legio. We noemen er een paar.

In het gewone spraakgebruik verwijst ‘angst’ naar een gevoel; in het wetenschappelijk boeventaaltje verwijst angst naar bijvoorbeeld een samenspel van cognities, fysiologische reacties en motorische handelingen of naar de activering van zoiets esoterisch als een Behavioural Inhibition System. Hoe verhouden zich hier wetenschappelijke taal en omgangstaal? Als een klinicus zijn angstige patiënt voorhoudt dat de gedachte ‘Ik zou in de trein een hartaanval kunnen krijgen’ een oorzaak kan zijn van feitelijke hartslagversnelling, wat wordt dan stilzwijgend verondersteld over het lichaam–geest–vraagstuk? Bestaat er zoiets als het ‘wezen’ van de angst en wat voor implicaties heeft een ontkennend of bevestigend antwoord?

Aan dit soort grondslagenkwesties is het proefschrift gewijd waarop psychiater Gerrit Glas promoveerde. Als ondertitel kreeg de dissertatie mee: ‘Een psychiatrische en vakfilosofische studie’ en die ondertitel is goed gekozen: het boek bevat zowel een gedetailleerd overzicht van onderzoekslijnen en –resultaten als een filosofische reflectie daarop.

Het boek is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 1 wordt de verhouding tussen de onmiddellijke ervaring van angst en de verwoording/conceptualisering daarvan behandeld. De vraag wordt gesteld wat angst ‘is’. Die aanhalingstekens zijn niet van mij maar van Glas; hij realiseert zich hoe onoplosbaar zo’n wezensvraag is, maar heeft een scherp oog voor de gevaren van gemakzuchtig operationalisme. Het tweede hoofdstuk levert een rechtvaardiging van de conceptuele vragen die worden gesteld. De heuristische bruikbaarheid wordt verdedigd van een viertal niveaus van analyse: angst in de alledaagse ervaring en omgangstaal; in klinisch perspectief en in klinische verwoordingen; als object van wetenschappelijke analyse en onderzoek en, als laatste, de rol die vakfilosofische reflectie hier te spelen heeft. De hoofdstukken 3 en 4 hebben voornamelijk een vakinhoudelijk karakter. Ze behandelen de ideeëngeschiedenis van het denken over angst en vrees, respectievelijk de moderne nosologie van angst en angststoornissen. Meta–theoretisch, zeg maar filosofisch, wordt Glas weer in hoofdstuk 5 waar verklaringsmodellen van angststoornissen kritisch worden geanalyseerd. In hoofdstuk 6 worden de thema’s die eerder aan de orde kwamen nogmaals doorgelicht met behulp van de analyseniveaus uit hoofdstuk 2.

Wat het boek opmerkelijk maakt is niet zozeer de vrij precieze weergave van vakwetenschappelijke discussies – er verschijnen regelmatig goede overzichtsartikelen en handboeken – maar de filosofische reflectie op het onderzoeksgebied. Glas mengt zich soms, even, in de empirische discussies maar beperkt zich goeddeels tot de analyse van concepten, hun samenhang, vooronderstellingen en implicaties. Zijn analyses vond ik dikwijls verhelderend. Moderne wetenschapstheorie ontaardt nogal eens in geschamper of gemoraliseer (‘Tut tut tut, dames en heren onderzoekers; ziet u niet hoe onkenbaar de waarheid is; ziet u niet hoezeer u een kind van uw tijd bent? U neemt uzelf veel te ernstig’). Dit soort paradoxaal relativisme treft men in dit boek niet aan; bij Glas kwispelt de staart niet met de hond. Het empirisch debat wordt uiterst serieus genomen en hij toont zich onmiskenbaar gefascineerd door de geboekte theoretische en empirische vooruitgang.

Glas heeft zich veel moeite getroost om omvattend te zijn. Die poging en het resultaat dwingen respect af. Het is een heksentoer geweest zich in te lezen in leertheorie, cognitieve psychologie, biologische psychiatrie, antropologie et cetera, en om de wijsgerig interessante thematiek te isoleren en te relateren aan de eerder geformuleerde analyseniveaus. Onvermijdelijk is dat de auteur zich hier en daar vergaloppeert, bijvoorbeeld wanneer hij stelt dat in het Pavloviaanse verklaringsmodel angst wordt opgevat als de respons op een ongeconditioneerde stimulus, zoals een elektrische schok. Dit klopt natuurlijk van geen kanten. En hoewel het aantal missers – voor zover ik kan overzien – erg meevalt en de neiging ontstaat om incidentele slordigheidjes grootmoedig te vergeven, wijst de rare onjuistheid over klassieke conditionering op een zwakheid van het werk. Ondanks alle respect voor Glas’ eruditie zou de kwaliteit van zijn werk niet zijn geschaad wanneer hij zich bij zijn project wat meer beperkingen zou hebben opgelegd. De auteur koos ervoor alle wetenschappelijk produktieve perspectieven op angst te analyseren en om, zodra een conceptuele wending hem filosofisch belangwekkend voorkwam, uit te pakken. Dat kwam de diepgang minder ten goede dan de omvattendheid. Concentratie op enkele precies gedefinieerde filosofische kwesties die actueel worden naar aanleiding van specifieke onderzoekspraktijken of bevindingen zou niet minder belangwekkend zijn geweest.

Appreciatie van het boek veronderstelt geen filosofische scholing maar wel belangstelling voor grondslagenkwesties; kennis van het empirische onderzoeksdomein zal het leesplezier vergroten. Wie enige filosofische interesse paart aan betrokkenheid bij angstonderzoek zal zich na lezing van Glas’ boek gesticht voelen. Of het daadwerkelijke onderzoek erdoor zal veranderen valt zeer te betwijfelen. Wat dat aangaat heeft dit soort conceptuele verheldering wel iets weg van ‘inzichtgevende’ psychotherapie; het gevoelen dat achterliggende problemen zijn verhelderd is onmiskenbaar, maar of het gedrag er iets door zal veranderen is de vraag. Maar het veranderen van de activiteiten van onderzoekers lijkt niet Glas’ bedoeling te zijn geweest. Hij wilde verhelderen. Daarom was het begonnen en daarin is hij geslaagd.