Jaargang 32 (2012)
Nummer: 2
Artikel: 6

Pictogram

DT-32-2-6.pdf 516.70 KB 94 downloads

Als de vloeren het maar houden ...

Miljoenen Nederlanders verzamelen, meestal als een onschuldige hobby. Naast al die ‘normale’ verzamelaars is er ook een kleine groep hoarders of (problematische) hamsteraars. De begrippen hoarding en ‘verzamelen’ lijken naar verschillende activiteiten te verwijzen, maar zijn niet zo makkelijk te scheiden: zowel hamsteraars als verzamelaars vergaren vaak grote hoeveelheden, jagen op voorwerpen van geringe waarde en beide groepen kunnen zich specialiseren of juist weer heel breed verzamelen. Het belangrijkste verschil is de mate waarin het verzamelen iemands leven beheerst. Voor de verzamelaar blijft het een hobby, bij de hamsteraar beheerst het zijn leven. Verder verschillen de drijfveren. Het ‘normale’ verzamelen komt voort uit instinct, cultuur, frustratie, winstbejag, status en de behoefte om sporen na te laten in de tijd. Voor hamstergedrag wordt de verklaring vooral gezocht in een stoornis of syndroom, een kleine beschadiging in de hersenen of een genetisch weeffoutje.

In 1976 sleept de Rotterdamse reinigingsdienst enorme hoeveelheden troep uit een kleine woning in de wijk Spangen. De buurtbewoners kijken met open mond toe hoe twee flinke grofvuilcontainers worden gevuld met fietswielen, fietssturen, kastdeuren, drukwerk en heel veel goed gevulde vuilniszakken. De eigenaar van al die spullen is de schrijver en dichter Cornelis Bastiaan Vaandrager (1935-1992). In de ogen van Vaandrager zijn de fietssturen en alle andere voorwerpen bepaald geen grofvuil. Hij ziet ze als een met zorg vergaarde verzameling waar hij jaren aan heeft gewerkt.

Vaandrager werd ooit gezien als een aanstormend literair talent. Critici stelden zijn debuutroman Leve Joop Massaker uit 1960 op één lijn met de boeken van Gerard Reve en Hugo Claus. Vaandrager, of Vaan, zoals hij zichzelf ging noemen, is echter nooit doorgebroken. In de jaren zestig werd hij een grootverbruiker van speed en andere geestverruimende middelen. De schrijver kiest bewust voor een leven vol drugs, maar dat kost hem wel zijn geestelijke gezondheid. Zijn verslaving maakt hem tot een achterdochtige en luidruchtige man, maar hij trekt ook op een andere manier de aandacht. Vaandrager ontpopt zich tot de ultieme verzamelaar. Als kind verzamelt hij al fanatiek sigarettenmerken. In de loop der jaren breidt hij dat uit met kleine plastic voorwerpen en stickers en later komt er nog van alles bij.

Begin jaren 1970 loopt het uit de hand. De hoeveelheid fietsonderdelen en andere verzamelde voorwerpen hebben enorme proporties aangenomen en hij wordt uit zijn huis gezet. Vaan is een poosje dakloos, maar begint in zijn nieuwe huisje weer te verzamelen. Nu begint hij met schroefjes en moertjes. Een collectie die snel wordt aangevuld met kapot meubilair, op straat gezette kleding, boeken, tijdschriften en papier. Alles wat hij nog de moeite waard vindt, gaat in een boodschappenwagentje mee naar huis. Dit gaat jaren zo door, totdat de straatarme schrijver en dichter in 1992 eenzaam en uitgeput in een Rotterdams ziekenhuis sterft (Schenke, 2005).

Verzamelen en hamsteren: de overeenkomsten

Vaandrager vertoonde in de ogen van de buurtbewoners en de woningbouwvereniging onacceptabel gedrag. Het is wat in de wetenschappelijke literatuur hoarding wordt genoemd. Dit hamstergedrag typeren we niet meer als ‘verzamelen’, maar als ‘problematisch verzamelen’ (of ‘verzamelzucht’).

Naast hoarding bestaat er natuurlijk ook nog het gewone, niet-problematische verzamelen. Honderdduizenden, zo niet miljoenen Nederlanders zijn regelmatig in de weer met postzegels, suikerzakjes, spaarvarkens, parfumflesjes of andere voorwerpen en stoppen veel tijd, energie en geld in hun hobby. Sommigen trekken er voor dag en dauw op uit, stropen rommelmarkten af en slaan geen enkele VerzamelaarsJaarbeurs over. Anderen zijn weer niet van het internet af te slaan en zoeken op eBay en Marktplaats.

Eén op de drie Nederlanders verzamelt wel iets en het komt echt in de beste families voor. Denk maar aan de collectie van prins Bernhard. De prins verzamelde honderden olifantjes van allerlei materialen. Sommige particuliere verzamelingen zijn zo bijzonder dat ze opduiken in musea. Het Wereldmuseum in Rotterdam maakte ooit een tentoonstelling over vliegenmeppers, in de Rotterdamse Centrale Bibliotheek waren honderden kleerhangers te zien en de Kunsthal toonde in 2006 een collectie Sinterklaasinpakpapier. Allemaal collecties van particulieren waar met bewondering naar wordt gekeken. Verzamelen is in Nederland volledig geaccepteerd.

Problematische verzamelaars hoeven meestal niet op respect en bewondering te rekenen. We voelen wel aan dat Vaandragers gedrag niet gezond was. Maar waar zit hem dat dan in? Hoe verhoudt zijn hoardinggedrag zich tot het gedrag van ‘normale’ verzamelaars? Heeft het wellicht iets te maken met hoeveelheden, waarde of specialisatie? Verzamelen hoarders bijvoorbeeld beduidend meer? Houden ze zich vooral bezig met dingen die absoluut niets waard zijn, zoals oude fietssturen en stickers? Of zit het verschil in hun gebrek aan specialisatie?

Flinke hoeveelheden

Het huis van Vaandrager puilde uit. De grofvuilcontainers, waar zijn verzameling uiteindelijk in verdween, laten zien dat het ging om grote hoeveelheden. Toch is er ook op dit punt niet veel verschil met ‘normale’ verzamelaars. Ook zij kunnen veelvraten zijn. Neem een ‘rasverzamelaar’ als Cor Hardam. Hardam verzamelt bierviltjes, lucifermerken, sigarenbandjes, ansichtkaarten, wijn- en bieretiketten, reclamebalpennen, munten, postzegels, speldjes, suikerzakjes, wijnkurken en… boeken, heel veel boeken. Wie zijn hele leven, Hardam loopt tegen de 60, zo breed verzamelt, moet natuurlijk wel een enorme collectie opbouwen. Vandaar zijn verzuchting: ‘Mijn enige zorg is of de vloeren het nog wel houden’ (Berveling, 2009).

Ook bij een bekende verzamelaar als Boudewijn Büch (1948-2002) ging het om flinke hoeveelheden. Büch verzamelde werkelijk van alles en nog wat. Hij verzuchtte ooit dat zijn huis ging lijken op een natuurwetenschappelijk rariteitenkabinet. Het leek wel het Teylers museum in het klein. Büch stouwde zijn huis vol met natuurkundige instrumenten, moderne kunst, borstbeelden, haarstukjes uit de negentiende eeuw, penningen, beeldjes van pinguïns, schelpen, fossielen, dodobotjes en ga zo maar door. Hij verzamelde van alles, maar was vooral bezeten van boeken. Zijn bibliotheek bevatte ongeveer honderdduizend exemplaren. Kenners vermoeden dat hij sinds het begin van de jaren 1980 ongeveer tien nieuwe titels per dag heeft aangeschaft. Net als de ‘problematische’ Vaandrager vergaren verzamelaars soms enorme hoeveelheden.

Dingen van waarde

Vaandragers verzameling had op het oog weinig waarde. Het is onwaarschijnlijk dat een collectie fietssturen een veilinghuis in vervoering brengt. Toch is de financiële waarde van een verzameling geen middel om een verzamelaar van een problematische verzamelaar te onderscheiden. Natuurlijk, sommige collecties vertegenwoordigen een klein fortuin. Denk maar aan de collectie sterke drank van de verzamelaar Bay van der Bunt die in 2012 op een waarde van zes miljoen euro werd geschat. Hij verzamelde in de loop der jaren vijfduizend flessen, waaronder cognac uit de achttiende eeuw. Of denk aan de bibliotheek van de eerdergenoemde Boudewijn Büch. De bibliotheek werd na zijn dood geveild en bracht een miljoen euro op. Toch zijn dit soort bedragen de uitzondering op de regel. Veel verzamelaars zijn met ‘waardeloze’ voorwerpen bezig. Dat loopt van kotszakken tot wijnkurken en luciferetiketten. Werkelijk alles wat verzameld kan worden, wordt ook verzameld. In 2006 stonden de Rotterdamse bibliotheken bijvoorbeeld in het teken van ‘vreemde verzamelingen’. Er werd van alles en nog wat tentoongesteld, waaronder kattensnorharen, beeldjes van pastoors en nonnen, lieveheersbeestjes (maar dan alleen uit het Kralingse Bos) en kauwgom. Allemaal collecties die nou niet bepaald een vermogen kosten. In dat licht bezien zijn Vaandragers fietssturen en zijn collectie schroefjes en moertjes helemaal zo gek nog niet.

Specialisatie

Zou het problematische verzamelen iets te maken kunnen hebben met een gebrek aan specialisatie? Vaandrager had bijvoorbeeld nogal wat uiteenlopende collecties. Maar ook dit aspect is niet echt onderscheidend. Ook hoarders kunnen zich specialiseren. Er zijn voorbeelden bekend van mensen die dwangmatig piepkleine plastic kogeltjes, oude fietsen of elektrische huishoudelijke apparaten verzamelden. Ook is er een geval bekend van iemand die voortdurend met auto’s aan de haal ging.

De autoverzamelaar

Een bijzondere casus is de man die auto’s verzamelde. Het begon allemaal na een operatie aan een gezwel in zijn hersenen. Hij leek het ziekenhuis aanvankelijk gezond te verlaten, maar het ging al snel mis. Hij ontwikkelde de gewoonte om auto’s te zoeken met de sleutels nog in het contact. Wanneer hij zo’n auto vond, reed hij ermee weg en parkeerde hem thuis voor de deur. Hoewel hij heel goed wist dat zijn gedrag niet door de beugel kon, kon hij het toch niet laten. Het ging de man niet om geld. Hij probeerde de auto’s nooit te verkopen. Het ‘verzamelen’ van auto’s vormde voor hem in depressieve periodes een uitlaatklep. In een periode van zeventien jaar (waarvan hij er acht in de gevangenis doorbracht) ontvreemdde hij maar liefst honderd auto’s. De man kreeg psychotherapie, maar die was niet succesvol (Cohen, Angladette, Benoit & Pierrot-Deseilligny, 1999).

Hoarders kunnen zich dus specialiseren, en verzamelaars kunnen juist weer heel breed verzamelen. Wat bijvoorbeeld te denken van de verzamelaar Geert Drenth uit Sellingen. Geert is de trotse bezitter van maar liefst 216 verschillende verzamelingen en hij wordt dan ook wel een verzamelaar van verzamelingen genoemd. In zijn propvolle privé-museum, het Drentharium, heeft hij zijn postzegels, reclamebankbiljetten, winkelwagenmuntjes en 213 andere verzamelingen keurig uitgestald. Tot die 213 andere verzamelingen behoort ook ieder denkbaar voorwerp waarop speelkaarten zijn afgebeeld. Op internet is een filmpje te zien waarin Geert een rondleiding geeft. ‘Dat zie je nergens,’ hoor je hem roepen. En zo is het.

Verzamelen en hamsteren: de verschillen

De verschillen tussen verzamelaars en hoarders zijn dus op sommige punten minder groot dan we op het eerste gezicht geneigd zijn te denken. Toch is er een belangrijk verschil. Bij problematisch verzamelen is het verzamelen geen passie meer, maar een obsessie die het ‘normaal functioneren’ in de weg staat. Het verzamelen en bewaren is dwangmatig geworden. Normale verzamelaars kunnen buitengewoon fanatiek zijn, maar ze laten er hun leven niet door beheersen. Onder verzamelen wordt weliswaar het ‘actief en gepassioneerd vergaren en bezitten van dingen’ verstaan, maar het blijft wel een hobby. Ze kunnen het ook loslaten.

Hamsteraars daarentegen slaan door. Sommigen interesseren zich steeds minder voor hun werk, eten slecht en verwaarlozen hun omgeving. Dat laatste kan soms extreme vormen aannemen. Geert Mak beschreef in 1991 enkele ontmoetingen met problematische verzamelaars. Hij liep in Amsterdam drie middagen mee met Henk Plenter van de dienst Woninghygiëne van de GG & GD. Hoarders slepen niet alleen van alles in huis, ze vinden het vaak ook extreem moeilijk om dingen weg te gooien. Dat geldt soms ook voor huishoudelijk afval. Wie in de onderwereld van het verzamelen afdaalt, moet dan ook, zoals Mak schreef ‘… zijn ogen wijd open houden, maar dikwijls de neus dicht’ (Mak, 1995).

Dat verzamelaars beheerst met hun hobby omgaan, blijkt ook uit het maken van keuzes. Ze verzamelen bijvoorbeeld alleen spaarpotten en binnen die categorie dan weer alleen spaarvarkens. Ook moeten die spaarvarkens allemaal net even van elkaar verschillen. Daarin verschillen ze van hamsteraars. Die zijn vaak helemaal niet selectief: alles is interessant en moet mee naar huis. Voor hamsteraars of problematische verzamelaars maakt het niet uit dat het ene fietswiel precies hetzelfde is als het andere.

Een glijdende schaal

Verzamelaars hebben een passie, problematische verzamelaars een obsessie. Dat lijkt op het oog een duidelijk verschil. Toch is het goed te beseffen dat een verzamelaar een hoarder kan worden. De verschillen zijn gradueel. Ook ‘normale’ verzamelaars zetten heel veel voor hun hobby opzij. Neem bijvoorbeeld de verzamelaar van elpees en cd’s Emiel Buis. De liefde voor de muziek gaat bij hem ver. Erg ver. Hij werd geïnterviewd voor het boek Vinylfanaten en vertelde: ‘De manier waarop ik bezig ben met muziek kost gewoon veel tijd en geld. Het is een dagvulling. Als ik een bepaalde plaat wil hebben, zal die er hoe dan ook komen. Ook al moet ik wekenlang leven op pannenkoeken en Brinta’ (Haagsma, 2006). Buis is bloedfanatiek, maar toch wordt zijn gedrag (nog) niet als problematisch aangemerkt.

Er is dus sprake van een glijdende schaal. Ergens wordt de grens tussen verzamelen en hamsteren overgestoken. Het is een schaal die voor een buitenstaander begint met acceptatie en bewondering, overgaat in verwondering, daarna in gefronste wenkbrauwen, zorgelijk kijken, en uiteindelijk afgrijzen en afwijzing. Waar een verzamelaar zich op die schaal bevindt, is niet altijd precies vast te stellen. Het is maar hoe je tegen de situatie aankijkt. Neem bijvoorbeeld de casus Hans Bauer.

Een geval van problematisch verzamelen?

De 66-jarige dichter en boekenverzamelaar Hans Bauer uit Groningen werd in september 2009 door woningcorporatie Patrimonium bijna uit zijn huis gezet. De aanleiding was de enorme collectie boeken die Bauer (bijgenaamd Boekito) in ongeveer tien jaar tijd had verzameld. Iedere wand van zijn huis was voorzien van goedgevulde boekenkasten en ook de vloeren waren bedekt met boeken. De boeken waren tot alle hoeken van het huis doorgedrongen. Zijn slaapkamer was, zoals hijzelf zei, een ‘grizzlybeeronderkomen’ geworden. Hij sliep er letterlijk tussen en onder de boeken. Verhuurder Patrimonium vond dat hij zijn huis verwaarloosde en dat de situatie brandgevaarlijk was. De corporatie stuurde verschillende aanmaningen en verklaarde de woning uiteindelijk onbewoonbaar. Bauer kreeg van de rechtbank twee weken de tijd om vijfduizend boeken uit zijn woning te verwijderen.

Een problematische situatie? Bauer zelf vond de reactie van Patrimonium overdreven. Het waren, ook in zijn ogen, inderdaad nogal veel boeken, maar ‘netheid is voor de dommen’. Boekito stond in zijn reactie niet alleen. Zijn situatie kreeg veel aandacht in het Dagblad van het Noorden en de reacties van de lezers waren opmerkelijk eensgezind. Vrijwel zonder uitzondering namen de Groningers het voor Bauer op. De teneur van de reacties was dat Patrimonium zich met zijn eigen zaken moest bemoeien en Bauer lekker zijn gang laten gaan.

Verzamelaars kunnen op de ‘verzamelschaal’ afglijden naar hoarding. Dat gebeurt bijvoorbeeld wel bij mensen die in een sociaal isolement raken. Wanneer de partner vertrekt of overlijdt en de kinderen het huis uit zijn, gaan de verzamelaars ‘los’ en vervallen ze van kwaad tot erger.

Wat de verzamelaar drijft

Wanneer verzamelaars wordt gevraagd waarom ze verzamelen, dan hebben de meesten eigenlijk geen idee. Meestal mompelen ze dat het ‘nu eenmaal leuk is om te doen’. Dat is natuurlijk niet echt een antwoord. Helaas zijn Nederlandse studies over het ‘waarom’ achter het verzamelen met een lantaarntje te zoeken. Gelukkig biedt met name buitenlands onderzoek soelaas. Vooral in Engeland en de Verenigde Staten is er de laatste decennia serieus onderzoek gedaan naar verzamelaars. In Engeland is zelfs een nieuw onderzoeksveld ontstaan: de collecting studies. Uit dit onderzoek blijkt dat er niet één verklaring voor het verzamelen is. Wie er iets van wil snappen zal er op verschillende manieren, vanuit verschillende disciplines, naar moeten kijken (Berveling, 2009).

Genetisch vastgelegd

Vooral de sociobiologie, evolutiepsychologie en neurologie hebben de laatste decennia aan een beter begrip van verzamelen bijgedragen. Alles wijst erop dat verzamelen instinctmatig gedrag is en genetisch vastgelegd. Dat is ook niet zo gek. De geschiedenis van onze voorouders is honderdduizenden jaren verbonden geweest met jagen en verzamelen. Honderdduizenden jaren was er ook sprake van schaarste. Alles wat kon bijdragen aan overleven was welkom. Dan ging het uiteraard om voedsel, maar ook voorwerpen hielpen het vege lijf te redden. Dingen willen hebben, was ooit buitengewoon functioneel. Van voorwerpen kun je wapens of gereedschappen maken en die vergroten de kans op overleven.

Ons lichaam zorgt ervoor dat we het verzamelen aan de gang houden. Dingen verwerven geeft een lekker gevoel. Je lichaam beloont je met een kortstondige shot geluk. De sociobiologen Burnham en Phelan zeiden het al: ‘Our genes reward us whenever we make progress‘ (2000). In neurologisch onderzoek is men erin geslaagd met behulp van hersenscans de collecting spot (ook wel ‘koopknop’ genoemd) vrij nauwkeurig te lokaliseren. Deze bevindt zich in de rechter prefrontale hersenschors. Daar is in samenspel met andere delen van hersenen een afwegingsmechanisme werkzaam. Er wordt bij het verwerven van producten voortdurend een winst- en verliesrekening opgemaakt.

Niet alleen mensen, ook dieren verzamelen. Overigens is, als het om voedsel gaat, ‘verzamelen’ eigenlijk niet het juiste woord. Je moet in dit geval eerder van ‘hamsteren’ spreken. Niet alle dieren hamsteren. De voorwaarden ervoor moeten wel gunstig zijn. De beesten moeten het voedsel kunnen verplaatsen, ze moeten het goed kunnen verbergen en het moet goed houdbaar blijven. Maar als de condities gunstig zijn, dan doen ze het. Het kan immers een bijdrage leveren aan hun voortbestaan. Alles is erop gericht sterk en gezond te blijven zodat voor nageslacht kan worden gezorgd. Dat betekent dat er uiteraard veel aandacht is voor voedsel en seks.

Als het gaat om voedsel zijn er verschillende overlevingsstrategieën. Een aantal dieren legt voorraden aan voor slechte tijden. Het opslaan van voedsel komt voor bij 12 van de 170 vogel- en 19 van de 120 zoogdierfamilies. Er is veel variatie in de manier waarop dieren voedsel hamsteren. Spechten hameren bijvoorbeeld duizenden gaatjes in bomen om daarin eikels te verbergen. Eekhoorns verbergen noten en zaden onder de grond. Maar ook talloze andere dieren regelen een vorm van opslag voor slechte tijden: mollen, bevers, muizen, ratten, vossen, bruine beren, hyena’s en luipaarden.

Je zou denken dat het verzamelgedrag van dieren puur op voedsel is gericht. Toch zijn er uitzonderingen op die regel. De prieelvogel gaat het bijvoorbeeld niet om voedsel, maar om seks. Deze vogels vind je in Australië en in het westen van Nieuw-Guinea. Het woord dat lokale stammen gebruiken voor de prieelvogel is te vertalen als ‘hij die dingen verzamelt en stapelt’. De mannetjes bouwen negen tot tien maanden per jaar aan een nest dat de vorm heeft van een hut of prieel. Het bijzondere is dat de hut, gemaakt van takken, wordt bekleed met de meest uiteenlopende en kleurrijke voorwerpen. Voor een groot deel haalt de vogel die uit het oerwoud (zoals groene mossen, rode bessen, blauwe kevers, gele bladeren, bloemen, veren, enzovoort), maar als het zo uitkomt, pikt hij ook dingen van mensen. Onderzoekers vonden een nest dat was gedecoreerd met een paar groene sokken met knalgele strepen.

De mannetjes proberen met hun rijkversierde nest vrouwtjes te lokken. En het werkt. De mannetjes met de grootste bouwsels en de meeste exotische en gekleurde voorwerpen paren het meest. Dit verzamelgedrag is dus een andere manier om je genen aan een volgende generatie door te geven.

Hollandse schraapkoorts

De sociobiologische verklaring is niet compleet zonder een cultureel-historische. De vorm waarin de drang tot verzamelen zich uitdrukt is sociaal en cultureel bepaald. Dit geldt bij uitstek voor Nederland, dat bekendstaat als een echte verzamelnatie. Al eeuwen geleden werd er met bewondering en verbijstering naar de Nederlandse verzamelwoede gekeken.

In de zestiende en vooral zeventiende en achttiende eeuw was Nederland vermaard om zijn particuliere verzamelingen. Het aanleggen van een verzameling was onder gegoede burgers een geliefde bezigheid. Daarbij speelde mee dat de havens van Amsterdam en Rotterdam een belangrijke bron waren van bijzondere en exotische voorwerpen. Het was de tijd van de cabinets de curiosités of kunstkabinetten die volgestouwd werden met schilderijen, penningen en munten, opgezette exotische dieren, gedroogde planten en stenen. Aan die particuliere verzamelwoede heeft Nederland menig museum te danken.

Ook in de negentiende eeuw trok het verzamelen de aandacht. Zo schreef Kneppelhout, onder het pseudoniem Klikspaan, zijn Studenten-typen (Klikspaan, 1876). Daarin neemt hij typisch Nederlandse eigenaardigheden op de hak. Klikspaan bezoekt met een vriend bijvoorbeeld de gebroeders Quad. De broers zijn verzamelaars van munten en handtekeningen. Na de nodige pesterijen en een vechtpartijtje staan Klikspaan en zijn vriend weer op straat, waarna ze hun gal spuwen op dit soort ‘liefhebbers’. De Quads hebben nergens verstand van, terwijl ze van jongs af aan zijn aangemoedigd tot dit soort gedrag: ‘… het is maar de hebzucht, de schraapkoorts, de lust van veel bij elkander te garen, de kanker van onze Hollandsch karakter, die wordt aangezet.’ Ook hedendaagse buitenlandse auteurs kijken verwonderd naar onze verzamelwoede en beschouwen Nederland als een interesting special case (Blom, 2003). Nederland is een speciaal geval, omdat het instinct tot verzamelen hier van oudsher alle ruimte krijgt.

Gefrustreerde casanova’s

Naast de biologische en culturele verklaring is er ook een psychoanalytische verklaring van verzamelen. De bekendste auteur op dit gebied is ongetwijfeld de Amerikaan Werner Muensterberger. Deze psychoanalyticus schreef een leuk boek over verzamelen, maar het is behoorlijk eenzijdig en clichématig (Muensterberger, 1994). Zijn verklaring staat nog helemaal in de freudiaanse traditie. Het komt erop neer dat verzamelen compenseert voor vervelende gebeurtenissen uit het verleden. Je hebt als kind iets tragisch meegemaakt (een van je ouders is bijvoorbeeld overleden), wat leidt tot angst en onzekerheid. Verzamelen is in deze visie een kwestie van compensatie. Verzamelaars gaan steun zoeken in objecten in plaats van mensen. Het is een ideaal middel om allerlei frustraties een positieve draai te geven. Ook angst en frustratie op het seksuele vlak kunnen volgens deze theorie mensen tot verzamelen aanzetten. Verzamelaars zijn eigenlijk gefrustreerde casanova’s. Omdat seksuele behoeften niet worden vervuld, zoeken ze naar een vervanging. Deze verklaring is eigenlijk niet serieus te nemen. Er zijn miljoenen verzamelaars in Nederland, zouden die allemaal een verstoorde moeder- of vaderbinding en seksuele frustraties hebben?

Dikke winst

Een andere verklaring die plausibel klinkt, maar waar wel wat op valt af te dingen, is de economische verklaring. Verzamelaars mogen graag vertellen dat verzamelen een lucratieve bezigheid is. Ze verzamelen om er wat aan te verdienen. Zo bezien zou het een zuiver rationele bezigheid zijn. De homo economicus weegt rationeel kosten en baten tegen elkaar af, koopt goedkoop in en verkoopt met een dikke winst.

Het staat buiten kijf dat er veel geld in de verzamelbranche omgaat. Vermoedelijk minstens een half miljard per jaar en dat is nog een voorzichtige schatting. Wanneer we naar kunstverzamelaars kijken, dan zien we dat er regelmatig records worden gebroken. Een Picasso die van de hand gaat voor honderd miljoen dollar is niet niks, maar ook de kleinere verzamelobjecten mogen er zijn. In 2007 bracht een Amerikaans honkbalplaatje tijdens een veiling nog 1,77 miljoen euro op. Aan alles wat zeldzaam is, valt in principe iets te verdienen. Het punt is echter dat de meeste verzamelaars zich zo sterk aan hun verzameling hechten, dat het eigenlijk nooit tot verkopen komt. Ze hebben met hun collectie ‘geleefd’ en kunnen er gewoonweg geen afstand meer van doen. Een verzameling wordt pas verkocht wanneer een van de drie S’en in beeld is: scheiden, schulden of sterven. Pas dan wordt een collectie noodgedwongen van de hand gedaan. Dat verzamelen geld oplevert, is vooral een mooi verhaal waarmee verzamelaars hun familie geruststellen. Het legitimeert de volgende (dure) aankoop.

De freudiaanse en economische verklaringen hebben hun beperkingen. Dit wil overigens niet zeggen dat psychologie en economie niets zinnigs over verzamelen te melden hebben. Integendeel, maar er is meer. We komen een stuk dichter bij de waarheid wanneer we ook kijken naar sociologische en filosofische verklaringen.

Kwaken in de juiste vijver

Klikspaan zag dat ouders het verzamelen van jongs af aan bij hun kinderen stimuleren. Dit geeft al aan dat verzamelaars niet in een sociaal isolement verkeren. Ouders, de partner, kinderen, vrienden en kennissen, handelaren en verzamelaarsverenigingen hebben allemaal invloed op het gedrag van de verzamelaar. Menig verzamelaar bouwt een goede band op met handelaren en menigeen is lid van een verzamelaarsvereniging, zoals de Stichting van Smurfenverzamelaars en de Thee-envelopjes Verzamelgroep (ja, ze bestaan echt). Deze verenigingen zijn een bron van respect en waardering.

Wie ‘verzamelen’ wil begrijpen kan niet zonder het sociale begrip ‘status’. Wie een mooie verzameling heeft opgebouwd wordt zowel bewonderd als benijd. Het luistert met status echter nauw. Verzamelaars moeten hun referentiegroep zorgvuldig kiezen. De econoom Robert Frank maakte ooit de vergelijking met kikkers (1985). Een slimme kikker kiest een vijver waarin hij de grootste is. Hij kwaakt dan het hardst en alle kleintjes zullen met respect naar hem opkijken. Een bierblikjesverzamelaar maakt met een bijzonder blikje geen enkele indruk op zijn niet ingewijde buurman. Op de Beer Can Collectors Club is dat wel even anders. Die mensen begrijpen heel goed dat je iets bijzonders en zeldzaams hebt.

Verzamelen als gedenkteken

Verzamelaars hebben een mix van drijfveren. In de eerste plaats verzamelen ze vanuit instinct, versterkt door een Nederlandse cultuur die verzamelen in hoge mate stimuleert. Verder zal er voor sommigen wel iets van compensatie bijzitten. Dat geldt ook voor de verzamelaars die het om geld is te doen. We gaan er ook meer van begrijpen wanneer we naar de status kijken die een verzameling kan bieden. Maar wie weet, is de belangrijkste verklaring uiteindelijk wel een filosofische en proberen al die verzamelaars hun sterfelijkheid te ontkennen. Zij verdwijnen, maar hun verzameling blijft bestaan. Het wordt een soort dagboek, een persoonlijk archief dat iemands leven documenteert. Het is mooi verwoord door Willem Venema, een verzamelaar van boeken, schilderijtjes, dinky toys, concertposters, munten en postzegels: ‘Mijn boeken en platen en alles wat ik verzameld heb, vormen een voetafdruk. Ze reflecteren wie ik ben en wat ik allemaal heb gedaan en meegemaakt’ (Haagsma, 2006). Al die verzamelingen zijn dus ook te beschouwen als gedenktekens. Zo laten verzamelaars hun sporen na in de tijd.

Wat de hamsteraar drijft

Verzamelaars kennen dus de meest uiteenlopende drijfveren. Maar hoe zit dat met de problematische verzamelaars? Is er hier een bepaalde ziekte in het spel of een bepaald gebrek?

Een stoornis

Hamsteraars gaan obsessief en dwangmatig te werk. Het bekendste en spectaculairste voorbeeld zijn de gebroeders Homer en Langley Collyer. De twee broers leefden in de periode 1929-1947 een teruggetrokken leven in de wijk Harlem in New York. Twee decennia lang sleepten de broers spullen naar hun huis. Nadat de broers waren overleden stuitte de politie bij het betreden van hun woning op een muur van oude kranten, veldbedden, stoelen, dozen en ontelbare andere soorten rommel. In het huis kon niet meer normaal worden gelopen. Er was een heel tunnel- en gangenstelsel ontstaan. De reinigingsdienst haalde in totaal 103 ton spullen uit het huis, waaronder veertien piano’s. De leefwijze van de twee broers was een goed voorbeeld van problematisch verzamelen en werd in de literatuur het Collyer brothers syndrome genoemd.

Kenmerkend voor dergelijke hamsteraars is hun besluiteloosheid. Ze kunnen maar niet beslissen ergens afstand van te doen. Ze weten het verschil niet meer tussen wat belangrijk is en wat niet, en al hun bezittingen lijken waardevol. De meeste mensen weten dat een vergeelde oude krant de oudpapierbak in kan. Doorgeslagen verzamelaars durven die stap niet te zetten omdat ze het idee hebben dat de krant belangrijke informatie kan bevatten.

Beschadiging in de hersenen

Neurologen verdiepen zich steeds meer in de neurale basis van hamstergedrag. Dat het gedrag iets te maken zou kunnen hebben met een specifiek gebied in de hersenen werd al in de negentiende eeuw duidelijk. Op 13 september 1848 werkte Phineas Gage aan een spoorweg in Vermont in de Verenigde Staten. Tijdens het werk ging er iets goed mis: een ijzeren staaf werd met grote kracht door zijn hoofd geschoten. Een groot stuk van het voorste deel van zijn linkerhersenhelft werd vernietigd. Wonderlijk genoeg overleefde Gage het ongeluk en zat hij na tien weken alweer thuis. Maar Gage was, zoals zijn vrienden opmerkten, de oude Gage niet meer. Zijn persoonlijkheid was dramatisch veranderd. Vóór het ongeluk was hij een evenwichtige persoonlijkheid. Na het ongeluk ontpopte hij zich als een wispelturige, ongeduldige en opstandige man. Iedere bedachtzaamheid was uit hem verdwenen, hij dacht alleen nog aan zichzelf en had moeite om wat hij besloten had, ook daadwerkelijk uit te voeren. Ook ontwikkelde hij een merkwaardige voorkeur voor dieren en souvenirs. Phineas begon zich aan allerlei voorwerpen te hechten en dwangmatig verzamelaarsgedrag te vertonen (Damasio, 1995).

De medische wereld realiseerde zich dat het beschadigde deel van de hersenen blijkbaar een aantal specifieke taken aanstuurde. Een idee dat in de decennia daarna door het bestuderen van andere cases werd bevestigd. Bij de bovengenoemde autoverzamelaar bleek na een CT-scan bijvoorbeeld dat een specifiek gebied van de hersenen, de rechter orbito-frontal paramesial region, een kleine beschadiging had en dat het gebied te weinig bloed kreeg. Ook andere cases laten zien dat een kleine hersenbeschadiging grote gevolgen kan hebben.

35 televisies en andere apparaten

De Franse neuroloog Volle beschrijft samen met enkele collega’s de lotgevallen van een man die in 1995 werd geopereerd aan een tumor in zijn hersenen (Volle, Beato, Levy & Dubois, 2002). De scan die na afloop van de operatie werd gemaakt liet zien dat, afgezien van twee beschadigingen aan de voorhoofdskwab, de tumor met succes was verwijderd. Twee jaar later openbaarde zich merkwaardig verzamelgedrag. De man begon allerlei elektrische huishoudelijke apparaten mee naar huis te nemen. Dat liep uiteen van koelkasten, stofzuigers en videocassetterecorders tot televisietoestellen. Twee keer per maand schuimde hij de stad af op zoek naar apparaten. Hij had vooral belangstelling voor televisietoestellen. Die plaatste hij in zijn woonkamer, maar toen daar 35 toestellen waren opgeslagen begon hij ook de slaapkamer van zijn dochter, de gangen, de badkamer en de kelder vol te zetten. Als hij niet verzamelde, vertoonde hij nogal apathisch gedrag. Hij kon urenlang in bad liggen of in zijn auto zitten. Op verschillende psychologische tests, gericht op taal, ruimtelijk inzicht en geheugen, scoorde hij goed. Maar het was duidelijk dat de hersenbeschadiging iedere rem op het verzamelen had weggenomen.

Genetisch bepaald

De laatste decennia zijn we meer te weten gekomen over het Collyer brothers syndrome. Amerikaanse wetenschappers zijn in 2001 gestart met de OCD Genetics Study. De studie richt zich op broers, zussen en andere familieleden die allemaal een obsessieve-compulsieve stoornis hebben. Van al deze mensen is DNA afgenomen en geanalyseerd. Bij families waarin iedereen hamstert, blijkt één bepaald chromosoom eruit te springen. Het is de eerste aanwijzing dat de drang tot hamsteren genetisch is bepaald en van de ene aan de andere generatie kan worden doorgegeven (Samuels et al., 2007).

Wat Vaandrager dreef, zullen we nooit precies weten. Voor zover bekend is hij nooit neurologisch onderzocht en is er bij hem geen DNA afgenomen. Of er bij hem sprake is geweest van een afwijkend chromosoom, is dus niet te zeggen. Onmogelijk is het niet. Jaren na zijn dood werd zijn dochter geïnterviewd. Ook zij vertelde te verzamelen (maar zonder de problematische kanten ervan). Met opvoeding had die verzameldrift niets te maken, want ze kreeg pas contact met haar vader toen ze al zeventien jaar oud was. Hamsteren kan dus best ‘in de familie’ zitten. Het wil echter niet zeggen dat de kinderen van hoarders per definitie ook gaan verzamelen. Allerlei andere factoren spelen eveneens een rol. Denk bijvoorbeeld aan iemands persoonlijkheid, de opstelling van directe familie en vrienden, en cultuur (Van den Brink, 2006). De aanleg kan sluimeren zonder ooit gewekt te worden.

Samenvattend

De begrippen hoarding en ‘verzamelen’ lijken naar verschillende activiteiten te verwijzen, maar zijn niet zo makkelijk te scheiden. Op een aantal punten is er namelijk geen verschil. Zowel hamsteraars als verzamelaars vergaren vaak grote hoeveelheden, jagen op voorwerpen van geringe waarde en beide groepen kunnen zich specialiseren of juist weer heel breed verzamelen. Het belangrijkste, maar graduele, verschil is de mate waarin het verzamelen iemands leven beheerst. Voor de verzamelaar blijft het een hobby, bij de hamsteraar beheerst het zijn leven.

Referenties

Berveling, J. (2009). Hebben is houden: Wat iedere verzamelaar en boekenliefhebber over zichzelf moet weten. Soesterberg: Aspekt.

Blom, Ph. (2003). To have and to hold: An intimate history of collectors and collecting. London: Penguin Books.

Brink, W. van den (2006). Verslaving: een chronisch recidiverende hersenziekte. Justitiële verkenningen 32(8), 59-75.

Burnham, T. & Phelan, J. (2000). Mean genes. Cambridge: Perseus Publishing.

Cohen, L., Angladette, L., Benoit, N. & Pierrot-Deseilligny, C. (1999). A man who borrowed cars. Lancet, 353, 34.

Damasio, R. (1995). De vergissing van Descartes: Gevoel, verstand en het menselijk brein. Amsterdam: Uitgeverij Wereldbibliotheek.

Frank, R.H. (1985). Choosing the right pond: Human behavior and the quest for status. New York: Oxford University Press.

Haagsma, R. (2006). Vinylfanaten. Utrecht: Uitgeverij het Spectrum.

Klikspaan (1876). Studenten-typen. Leiden: A.W. Sijthoff.

Mak, G. (1995). De engel van Amsterdam. Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij Atlas.

Muensterberger, W. (1994). Collecting: An unruly passion. Princeton, NJ: Psychological perspectives.

Samuels, J.F., et al. (2007). Significant linkage to compulsive hoarding on chromosome 14 in families with obsessive-compulsive disorder: Results from the OCD Collaborative Genetics Study. American Journal of Psychiatry, 164, 493-499.

Schenke, M. (2005). Vaan: het bewogen bestaan van C.B. Vaandrager. Amsterdam: De Bezige Bij.

Volle, E., Beato, R., Levy, R. & Dubois, R. (2002). Forced collectionism after orbitofrontal damage. Neurology 58, 488-490.

Pictogram

DT-32-2-6.pdf 516.70 KB 94 downloads

Als de vloeren het maar houden ...