Jaargang 24 (2004)
Nummer: 01
Artikel: 69

Boer Berten had een nieuwe koe, Bella. Er was echter een probleem: Bella gaf minder melk dan de andere koeien. Berten liet een veearts komen, maar die verklaarde Bella volkomen gezond. Andere boeren raadden Berten aan Bella van de hand te doen, maar Berten gaf niet op.

Hij gaf haar de fijnste bieten, het droogste en malste stro, water dat niet te koud was en niet te warm, kortom alle zorg die een boer maar geven kon. Hij praatte uren tegen het dier en probeerde haar op alle mogelijke manieren duidelijk te maken dat ze alleen wat meer melk moest geven. Doch tevergeefs.

Wanneer Berten Bella weer eens ging melken, vol goedhartige vriendelijkheid, kreeg hij een ingeving. Hij nam een emmer vol melk van een van de andere koeien en zette die voor Bella. ‘Kijk,’ zei hij zacht, ‘dat moet je proberen. Een hele emmer vol! Dat zou mooi zijn, hé!’ En warempel… na het melken had Berten de indruk dat er iets meer melk in de emmer zat dan anders. ‘Ongelooflijk!’, riep hij uit. ‘Schitterend, Bella, prachtig!’, en hij omhelsde het dier hartelijk. De volgende melkbeurt deed hij hetzelfde, en dan weer, en na enkele dagen had Bella de andere koeien bijgehaald, en nog enkele dagen later gaf ze zelfs iets meer melk dan de andere. Berten was in de wolken.

Boer Berten was lid van een beroepsvereniging, de Boerenbond laat ons zeggen, en tijdens een lokale bijeenkomst deed hij enthousiast zijn verhaal. Een aantal collega’s reageerde sceptisch, maar enkelen waren toch benieuwd. Na de bijeenkomst vroegen ze meer uitleg, die Berten met plezier gaf. Meer nog: hij was zelfs bereid bij elk van hen eens langs te komen om hen precies uit te leggen hoe hij het had aangepakt. Al spoedig konden verschillenden onder hen het succesverhaal van boer Berten bevestigen.

Bij de Boerenbond werd met toenemende bewondering gereageerd. Berten had gezag verworven en werd in heel het land gevraagd om lezingen en demonstraties te komen geven. Intussen had hij zijn methode ook haarfijn uitgeschreven: hoe vol de emmer precies moest zijn die men voor de koe zette, hoe ver hij van de neus van de koe moest staan, op welke hoogte, hoelang voor het melken hij er moest staan, wat men precies moest zeggen met welke intonatie, enzovoort. Stilaan werd haast iedereen overtuigd van de wonderlijke methode en werd het toepassen ervan een kwaliteitskenmerk van de goede boer. De Boerenbond dacht eraan ze op te nemen in de richtlijnen voor alle landbouwers.

Binnen de Boerenbond was een deel der boeren dat anders naar het gebeuren keek. Zij meenden dat het niet zozeer om de emmer ging, maar wel om het koe-vriendelijk behandelen van de dieren. Zij ontwikkelden een eigen methode, die erin bestond de houding tegenover de koe koe-vriendelijker en inlevender te maken. Zij meenden ook dat men een koe slechts mocht melken wanneer zij signalen gaf dat ze er echt aan toe was. Eerlijkheid gebiedt ons te zeggen dat hierin meer boerinnen geïnteresseerd waren, maar dit mag waarschijnlijk niet hardop gezegd worden. Na een tijdje kon ook deze groep puike resultaten voorleggen.

De Boerenbond had echter ook een wetenschappelijk geschoold landbouwdeskundige in dienst, en die fronste de wenkbrauwen. Hij besloot eerst een grondig objectief wetenschappelijk onderzoek te doen bij boeren die nog niet op de hoogte waren van de wonderlijke methoden. Bij honderd koeien plaatste hij een maand lang een volle emmer precies volgens de voorschriften, bij honderd andere plaatste hij een lege emmer, en bij weer honderd andere plaatste hij een groot struisvogelei. Precies zoals hij verwachtte, maakte het allemaal geen verschil. Gemiddeld gaven de koeien evenveel melk, en geen enkele koe begon eieren te leggen. Hetzelfde deed hij met de koe-vriendelijkheidsmethode. Hij vergeleek geschoolde koe-vriendelijken met niet-geschoolde, pasgestarte, hoopvolle boeren. Hun houding week grondig af van die van de deskundige koe-vriendelijken. Resultaat: precies hetzelfde.

Trots legde hij zijn bevindingen voor op de volgende bijeenkomst van de Boerenbond. Daar de overgrote meerderheid der genodigden de Berten- en koe-vriendelijkheidsmethode zeer genegen was, vielen zijn woorden niet in goede aarde. De boeren hadden geen boodschap aan ivoren-torenwetenschap. Zij zagen zelf wel wat werkte en wat niet. Toch hadden de woorden van de landbouwdeskundige enkele boeren ontmoedigd. Met spijt in het hart stopten zij met de nieuwe methode. Na enkele weken stelden enkelen onder hen verschrikt vast dat hun koeien minder melk gaven. Het beetje twijfel dat nog leefde binnen de Boerenbond werd hiermee weggeveegd. De Berten-methode en de koe-vriendelijkheidsmethode werden officieel als evenwaardige basissen voor de goede landbouwer ingeschreven in de statuten.

De landbouwdeskundige likte zijn wonden. Hij begreep het niet. Later realiseerde hij zich dat hij alleen iets had willen afbreken, wegnemen, zonder er iets voor in de plaats te stellen.

Naarstig ging hij op zoek naar een effectievere methode om de melkproductie te verhogen. En hij vond er ook één: zachte klassieke muziek op de achtergrond. Uit objectief onderzoek bleek dat dit gemiddeld tot een hogere melkproductie leidde dan de standaardmethode en de twee nieuwe methoden. Deze methode, in combinatie met enthousiaste boeren, het kon niet meer stuk. Opgetogen trok hij terug naar de Boerenbond. Hij werd op hoongelach onthaald. Maar om hem ter wille te zijn, zouden een aantal boeren zijn methode uittesten en anderen mochten komen kijken. Bij iedere melkbeurt kwam een handvol boeren kijken en eens goed lachen met de muziek. Verschrikt gaven de koeien minder en minder melk. Met de schamele opbrengst moesten de boeren nog harder lachen. Twee weken later werd klassieke muziek naar het rijk der fabelen verwezen. De Boerenbond ademde opgelucht. Het gezond boerenverstand en het warme hart hadden het gehaald van de koele berekening.