Jaargang 23 (2003)
Nummer: 02
Artikel: 214

Pictogram

DT-23-02-214.pdf 592.46 KB 37 downloads

Meer theorie, maar minder inspiratie ...

Directieve therapie bij kinderen en adolescenten is de opvolger van de in 1984 verschenen eerste druk (Hoogduin, & De Haan, 1984 ). In zijn voorwoord op de eerste druk, merkt Richard van Dijck op:

‘De uitgangspunten van dit boek zijn praktisch, niet theoretisch. Voor wie gelooft dat therapeutische interventies alleen te verantwoorden zijn als ze voortvloeien uit, of op zijn minst passen in de veronderstellingen van een bepaalde theoretische school, zal aan deze bundel alleen twijfel en ergernissen overhouden. Wie van mening is dat – hoe interessant en verhelderend theorieën ook zijn – behandelingsresultaten altijd met behulp van technieken tot stand komen, kan in deze bundel inspiratie opdoen’ (p. 8).

Van Dijck sloeg hiermee de spijker op zijn kop: de eerste druk van het boek was in theoretisch opzicht niet zo sterk, maar bevatte vooral veel interessante en goed beschreven casuïstiek, hetgeen voor mensen in de praktijk juist zo aantrekkelijk was.

In de tweede druk onder redactie van De Haan, Dolman en Hansen wordt getracht de directieve therapie bij kinderen en adolescenten theoretisch beter te onderbouwen. Na de heldere inleiding en een hoofdstuk over hoe (directieve) therapeuten ouders en kinderen optimaal kunnen motiveren om aan de behandeling deel te nemen, volgen vijftien hoofdstukken waarin steeds een psychisch probleem waarmee kinderen en adolescenten te kampen kunnen hebben, centraal staat. Achtereenvolgens zijn dat: pervasieve ontwikkelingsstoornissen, angst voor medische ingrepen, anorexia nervosa, obesitas, conversieklachten, bedplassen, broekpoepen, angststoornissen, sociale fobie, schoolfobie, selectief mutisme, dwangstoornis, ticstoornissen, trichotillomanie en schrijfkramp. De structuur van elk hoofdstuk is ongeveer hetzelfde. Eerst wordt het psychisch probleem kort gedefinieerd, vervolgens volgt een korte samenvatting van de wetenschappelijke stand van zaken met betrekking tot de behandeling van het probleem, en ten slotte wordt de behandeling geïllustreerd aan de hand van een of meerdere casussen. Daarbij moet worden opgemerkt dat de theoretische achtergrond in de meeste gevallen bondig, maar zeker adequaat en ‘up-to-date’ beschreven wordt. De casuïstiek is illustratief en wordt goed besproken in het licht van de geschetste theorie.

Toch is de tweede druk van Directieve therapie bij kinderen en adolescenten minder inspirerend dan de eerste. Dat komt in de eerste plaats door het feit dat slechts een gering aantal psychische stoornissen aan de orde komt. Liefst zes van de vijftien hoofdstukken gaan over angst of daaraan gerelateerde klachten (selectief mutisme). Bij de eerste druk was het aanbod aanmerkelijk gevarieerder en kwamen onder andere ook agressie, slaapproblemen, depressie, rouw, echtscheiding, studieproblemen en traumaverwerking aan de orde. Verder ligt het accent in de tweede druk sterk op de gedragstherapie. Dat is natuurlijk niet zonder toeval. Als geen andere theoretische school heeft de gedragstherapie getracht haar interventies grondig te onderbouwen. Het is jammer dat er juist in een boek dat gaat over de behandeling van psychische problemen bij kinderen en adolescenten, zo weinig oog is voor interventies en technieken uit de systemische hoek. De prachtige voorbeelden van paradoxale opdrachten en ericksoniaanse benevolent ordeals uit de eerste druk worden node gemist.

Referenties

Hoogduin, K., & Haan, E. de (1984). Directieve therapie bij kinderen en adolescenten. Deventer: Van Loghum Slaterus.

Pictogram

DT-23-02-214.pdf 592.46 KB 37 downloads

Meer theorie, maar minder inspiratie ...