Jaargang 17 (1997)
Nummer: 2
Artikel: 162

Onlangs lieten
Kersten en Koopman (1997) zich in dit tijdschrift kritisch uit over
Hervonden Herinneringen en andere Misverstanden (
Crombag & Merckelbach, 1996). In de korte bijdrage van Kersten en Koopman werd de vraag opgeworpen of de schrijvers van dat boek hun huiswerk wel goed deden. Kersten en Koopman menen van niet en ze maken vooral een punt van hetgeen
Hervonden Herinneringen zegt over de beroemde 19de–eeuwse MPS–patiënt Luis Vivet.

Een aantal door Kersten en Koopman naar voren gebrachte kritiekpunten is van een geheel ander kaliber. Zo typeren ze de betreffende passage in
Hervonden Herinneringen als een anti–Frans betoog en vragen ze zich af of Crombag en Merckelbach informatie uit een secundaire bron zijn vergeten te vermelden. Beide punten zijn irrelevant: Wij doen niet aan Völkerpsychologie en de door ons in dit kader geraadpleegde bronnen zijn te vinden in het notenapparaat na p. 267.

Kersten en Koopman schrijven: ‘Crombag en Merckelbach doen in het zesde hoofdstuk van hun boek een aantal uitspraken over deze veel geciteerde casus, die bij nader inzien volledig onjuist blijken te zijn’.

Dat is dus een onvoldoende van Kersten en Koopman. Maar waarop is die onvoldoende gebaseerd? Kersten en Koopman zijn daar duidelijk over. Ze nemen vooral aanstoot aan een aantal beweringen in
Hervonden Herinneringen over Bourru en Burot, – twee artsen die Louis Vivet behandelden. Kersten en Koopman: ‘Waarop Crombag en Merckelbach de idee baseren dat Louis volgens Bourru en Burot twee persoonlijkheden had is ons absoluut onduidelijk’. En ook vinden Kersten en Koopman het onterecht dat het boek aan Bourru en Burot een zekere sympathie toeschrijft voor de theorie dat Vivets persoonlijkheden hun oorsprong in de linker– en rechterhemisfeer zouden vinden. Kersten en Koopman beweren dat Bourru en Burot die theorie al in 1888 zouden hebben laten vallen.

De onvoldoende die Kersten en Koopman uitdelen is hard. De passage over Louis Vivet en zijn artsen Bourru en Burot is te vinden in een paragraaf die ‘Dissociatie: een korte ideeëngeschiedenis’ heet. Zo’n titel duidt toch niet op een ambitie om de finale historie van MPS te schrijven.

De onvoldoende van Kersten en Koopman is bovenal onterecht. Hier volgt een citaat van Bourru en Burot (1888; p. 127) over Louis Vivet. We geven het citaat in de vertaling van
Harrington (1987); p. 143) op wie wij ons baseerden:

‘If one reduces this case to the patient’s
two states of principal consciousness, one can assuredly see in it a most striking example of the dualism of the nervous centers (.). It seems that Louis V. directed by the
right hemisphere of his brain, is a different individual from the Louis V. who corresponds to the
left hemisphere.’ (cursief H.M.; H.C.)

Uit deze, door
Harrington (1987) overigens uitgebreid becommentarieerde passage, valt af te leiden dat Bourru en Burot op enig moment dachten dat de twee dominerende bewustzijnstoestanden, of zo men wil, persoonlijkheden van Louis Vivet, hun substraat hadden in de twee hemisferen. De neiging om bewustzijnsfluctuaties in verband te brengen met de links–rechts–as van het brein heeft dus een lange traditie en daar ging het ons om in de betreffende paragraaf van
Hervonden Herinneringen.

Ondertussen valt te vrezen dat deze discussie over futiele details de lezer maar matig zal boeien. Per slot van rekening is het werk van Bourru en Burot, om met Hacking (1995; p. 174) te spreken, ‘rubbish’ en hun excentrieke ideeën doen er gelukkig niet meer zo veel toe. Veel interessanter is het verhaal van Vivet en hoe hij aan zijn MPS kwam. Kort samengevat komt het er toch op neer dat Vivet zijn carrière startte als delinquent met een rijke variëteit aan pseudo–neurologische symptomen. Hij ging in de loop der jaren door de handen van diverse leerlingen van Charcot. De eerste daarvan stelde de diagnose ‘dédoublement de la personalité’. De volgende kon zich in die diagnose vinden en experimenteerde met de uitwerking van magneten op de gedragsfluctuaties van Vivet. Van Vivet wordt gezegd dat hij aanvankelijk niet goed begreep wat de magneten te betekenen hadden. Toen hij evenwel door had hoe belangrijk ze voor zijn behandeld arts waren, stelde hij zich coöperatief op en liet hij op geleide van de magneten ‘aller switches’ zien. Daarna kwam het duo Bourru en Burot aan de beurt. Zij vervolgenden het spoor en stelden Vivet bloot aan allerlei metalen (tin, ijzer, goud etc.). Elk type metaal bleek een andere persoonlijkheid te induceren. Aldus eindigde Vivet met zes verschillende alters en als cas célèbre. Het zich als maar uitdijende ziektebeeld behoedde hem meerdere keren voor internering en, nog belangrijker, trok de aandacht van steeds weer nieuwe artsen.
Hacking (1995) vat het geval Vivet mooi samen als hij het volgende over diens MPS zegt: ‘Vivet desperately wanted to please, to be loved, to be rewarded. I am not saying that Vivet worked this out. I say only that the environment in which he found himself was conductive to this sort of learning’ (p. 180). In dat opzicht heeft het geval Vivet niet aan actualiteit ingeboet.

Referenties

Bourru, R. & Burot, F. (1888/1e editie).
Variations de la personallité. Parijs: J.–B. Ballière.

Crombag, H. & Merckelbach, H. (1996).
Hervonden Herinneringen en andere misverstanden. Amstgerdam: Contact.

Hacking, I. (1995).
Rewriting the soul; Multiple personality and the sciences of memory. Princeton NJ: Princeton University Press.

Harrington, A. (1987).
Medicine, mind, and the double brain; A study in nineteenth–century thought. Princeton NJ: Princeton University Press.

Kersten, J. & Koopman, D. (1997). Crombag en Merckelbach over de 19e eeuwse MPS–patiënt Louis Vivet: Een correctie.
Directieve Therapie, 17, (1), 55–61.