Jaargang 17 (1997)
Nummer: 2
Artikel: 156

Pictogram

DT-17-2-156.pdf 608.09 KB 70 downloads

Herroepen herinneringen zijn niet per definitie onjuiste herinneringen: twee voorbeelden...

Samenvatting

Dat mensen eerder gerapporteerde herinneringen aan seksueel misbruik in hun jeugd herroepen (retraction), wordt door sommige auteurs gebruikt als argument voor de stelling dat deze herinneringen onjuist waren. In dit artikel wordt betoogd dat dit zeker niet in alle gevallen opgaat. Hiertoe worden twee voorbeelden van Milton. H. Erickson uit 1938 ter illustratie opgevoerd.

In het huidige debat over het waarheidsgehalte van zogeheten ‘hervonden herinneringen’ aan eerder seksueel misbruik lijkt een aantal auteurs ervan uit te gaan dat zulke eenvoudig niet bestaan. Zo beweren
Crombag en Merckelbach (1996) dat ‘hervonden herinneringen altijd pseudo–herinneringen zijn’ (p. 204) en schrijven
Wagenaar en Crombag (1995) het volgende:

‘Het mysterieuze heropduiken van (dergelijke) herinneringen moet op theoretische gronden zeer onwaarschijnlijk, zo niet onmogelijk worden geacht, en is in elk geval empirisch nooit aangetoond’

(p. 1275). Sommige van deze auteurs beschouwen het feit dat er mensen zijn die hun (bijvoorbeeld tijdens een psychotherapie) hervonden herinneringen aan seksueel misbruik in de jeugd later intrekken, als argument voor deze stelling (
Crombag & Merckelbach, 1996;
Loftus & Ketcham, 1995). Zoals
Crombag en Merckelbach (1996) het uitdrukken:

‘In het algemeen wordt iemand er niet geloofwaardiger op wanneer hij of zij eerst ouders of anderen beschuldigt van gruwelijke wandaden en die beschuldigingen vervolgens weer intrekt’

(p. 200). De stelling dat hervonden herinneringen aan seksueel misbruik en ander trauma
per definitie onjuist zijn, is absurd (vgl. Van der Hart & Nijenhuis, 1996); even absurd als de stelling dat dergelijke herinneringen altijd accuraat zijn.
Kluft (1995), die we nu even als autoriteit opvoeren, zegt hierover:

‘There are no grounds on which to discount a priori the anecdotal and systematic findings of clinicans who maintain that repressed/dissociated memories of trauma and their recovery and confirmation in clinical settings are commonplace events; nor are there grounds on which to dispute the relevance of laboratory studies on the potential distortion of memory for clinical practice’ (p. 255).

Maar ook zonder autoriteitsargument geloven we het wel. Zo valt met betrekking tot het verschijnsel van het herroepen van ‘hervonden herinneringen’ aan seksueel misbruik en ander trauma niet tegen te spreken dat het in een aantal gevallen inderdaad om onjuiste herinneringen gaat. Het feit dat iemand dergelijke herinneringen herroept, houdt (misschien wel
helaas) niet
per definitie in dat deze onwaar zijn. Milton
H. Erickson (1938) heeft, lang voor de huidige discussie over het waarheidsgehalte van hervonden herinneringen, twee gevalsbeschrijvingen gepresenteerd die weliswaar niet over hervonden herinneringen gingen, maar wel over het herroepen van eerde bestaande herinneringen aan respectievelijk seksueel misbruik en een auto–ongeluk. In beide gevallen zijn de betreffende schokkende gebeurtenissen duidelijk vastgesteld en bevestigd, mede aan de hand van gedetailleerde en door anderen bevestigde oorspronkelijke getuigenverklaringen van de slachtoffers en de bekentenissen van daders.

Eerste voorbeeld: Lichamelijke mishandeling en seksueel misbruik

Dit voorbeeld gaat over twee meisjes van negen en elf jaar die door hun ouders en twaalf mannen gedurende enige tijd mishandeld en misbruikt waren. Direct na de inval in het bordeel waar dit misbruik had plaatsgevonden, werden de ouders en de twaalf mannen in hechtenis genomen. De meisjes werden in een tehuis geplaatst, waar zij geen contact met elkaar konden hebben. In de eerste week van dit verblijf werden de meisjes ieder afzonderlijk door Erickson gehoord; zij bevestigden onafhankelijk van elkaar de later afgelegde bekentenissen van de daders. Zij uitten hun afschuw over wat hun was aangedaan en ze voelden haat jegens de daders.

Na het eerste verhoor had Erickson nog drie gesprekken met hen, met tussenpozen van twee maanden. In de loop van deze interviews lieten de meisjes steeds meer details weg uit hun relaas. In het laatste interview, zes maanden na het eerste gesprek, deden zij alles wat zij eerder hadden verteld af als ‘a bunch of lies’. Ze beschreven hun ouders als zeer liefdevol en ze namen het voor hen op. Ze ontkenden zelfs de verwondingen en de geslachtsziekten die veroorzaakt waren door het misbruik of deden die af met een triviale verklaring. Zij leken zich totaal niets meer te herinneren van het misbruik.

Tweede voorbeeld: Een auto–ongeluk

Dit voorbeeld gaat over een vrouw die door een man werd opgepikt om de nacht in een beruchte nachtclub door te brengen. Deze man was voorwaardelijk vrijgelaten uit de gevangenis en had de auto waarin hij reed gestolen. De vrouw was op de hoogte van zijn voorwaardelijke invrijheidstelling.

Tijdens de rit sloeg de auto als gevolg van roekeloos rijgedrag van de man over de kop en vloog in brand. De vrouw kwam onder de auto terecht en kon niet weg. De man slaagde erin zich te bevrijden en vluchtte zonder haar te helpen. Haar leven werd gered door twee passerende automobilisten. Ze had toen al ernstige brandwonden en verder letsel.

De man werd gepakt en er kwam een rechtszaak, waarin de vrouw, bitter en vol haat, vertelde hoe hij haar in de steek had gelaten. Ook de twee automobilisten deden hun verhaal, en de man bekende schuldig te zijn aan de genoemde feiten.

Acht maanden later deed de vrouw een poging de rechtszaak te heropenen. Haar reden hiervoor was dat haar getuigenverklaring volgens haar onrechtvaardig en onjuist was. Ze zei dat de man alles had geprobeerd om haar te redden: ‘Geen mens zou zoiets kunnen doen en niemand zou het kunnen verdragen zo behandeld te worden’. Toen haar werd verteld dat de straf die de man gekregen had betrekking had op de autodiefstal tijdens de voorwaardelijke vrijlating en dat zijn criminele nalatigheid jegens haar daarin niet had meegespeeld, was ze opgelucht en was de zaak voor haar afgesloten.

Discussie

Beide gevalsbeschrijvingen laten zien dat het mogelijk is dat mensen hun herinneringen aan schokkende gebeurtenissen herroepen, terwijl de oorspronkelijke feiten worden bevestigd door betrokkenen die naast het slachtoffer bij de gebeurtenis aanwezig waren. Hoewel het hier niet gaat om ‘hervonden herinneringen’, kunnen we hieruit concluderen dat het verschijnsel ‘retraction’ niet gebruikt kan worden als argument voor de stelling dat de betreffende herinnering onjuist was en de betreffende gebeurtenis niet heeft plaatsgevonden. Deze conclusie wordt ondersteund door resultaten van een studie van Kluft (1995): in een groep van vierendertig patiënten met een dissociatieve identiteitsstoornis waren tal van patiënten die in bepaalde periodes eerdere, extern bevestigde herinneringen aan seksueel misbruik en mishandeling herriepen.

Naast het feit dat herinneringen aan misbruik of ander trauma inderdaad onjuist kunnen zijn, bestaan er kennelijk andere redenen waardoor mensen herinneringen kunnen herroepen. Zo noemt

Erickson (1938) de ‘verdringing’ van schuldgevoelens over vrij–willige, als plezierig beleefde participatie, van de meisjes en de jonge vrouw als verklaring. In de gesprekken van Erickson met de meisjes kwam naar voren dat er naast momenten van geweld ook momenten waren waarop ze plezier hadden; wijn dronken, liederen zongen en dergelijke. Om zich te kunnen vrijpleiten zou het nodig zijn de ander, de dader(s), vrij te pleiten. Volgens Erickson wordt verdringing van schuldgevoelens mogelijk wanneer hetzelfde gebeurt met andere, met de gebeurtenissen samenhangende herinneringen, waardoor een totale reconstructie van de ervaring plaatsvindt, die wel in het geheugen opgenomen kan worden. Deze totale reconstructie is onder andere mogelijk door wat
Erickson (1938) de verschuiving van de verantwoordelijkheid voor de schokkende gebeurtenis noemt. Zo verklaart de jonge vrouw uit de tweede gevalsbeschrijving dat ‘geen mens zoiets zou kunnen doen en dat niemand het zou kunnen verdragen zo behandeld te worden.’ Op deze manier kon zij haar ervaring ook beschouwen als iets wat te erg was om waar te zijn. Toen zij de rechtszaak wilde heropenen en haar werd verteld dat de straf die de man gekregen had betrekking had op de autodiefstal tijdens de voorwaardelijke invrijheidstelling en dat zijn criminele nalatigheid jegens haar daarin niet had meegespeeld, was dit voor de jonge vrouw het bewijs dat die nalatigheid ook niet had bestaan.

Freyd (1996) noemt naar aanleiding van de hiervoor beschreven gevalsbeschrijvingen een andere reden waardoor de betreffende personen hun herinneringen herroepen zouden hebben: het feit dat zij door personen die zij vertrouwden zijn verraden. Volgens Freyd is het mogelijk dat de meisjes uit de eerste gevalsbeschrijving hun herinneringen aan het misbruik herriepen om zo hun ouders te herkrijgen, om hen te zien als beschermende verzorgers en niet als daders van lichamelijke mishandeling en seksueel misbruik.

De door
Erickson (1938) en
Freyd (1996) genoemde motieven hebben betrekking op personen met continue herinneringen aan misbruik of ander trauma. Het is mogelijk dat dezelfde motieven ook voor personen gelden die aanvankelijk met hervonden herinneringen aan seksueel misbruik in de jeugd kwamen. Bij de laatste groep spelen daarnaast vaak een aantal andere motieven een rol. Personen die met hervonden herinneringen aan seksueel misbruik door verwanten komen, is er in de regel veel aan gelegen om bevestigd te krijgen dat die herinneringen niet waar zijn, slechts ziekelijke fantasieën zijn (Van der Hart, persoonlijke mededeling, december 1996). Wat ook een rol kan spelen is het feit dat men niet op kan tegen de druk van de omgeving de verklaring in te trekken. Dit laatste wordt ondersteund door resultaten van de eerdergenoemde studie van
Kluft (1995). Deze auteur stelt vast dat in bijna elk geval van herroeping sprake was van een sterke overredende invloed. Verder was het in deze studie niet ongebruikelijk dat een periode van herroeping gevolgd werd door een periode waarin de herinnering opnieuw werd bevestigd.
Kluft (1995) suggereert een verband met de cyclus van herbeleving en ontkenning die kenmerkend is voor de posttraumatische stress–stoornis.

Wanneer een persoon zijn of haar ‘hervonden herinneringen’ aan seksueel misbruik of een ander trauma herroept, betekent dit dus niet dat de herinneringen
per definitie onjuist zijn. Het betekent dat een degelijk onderzoek uitgevoerd zou moeten worden naar de mogelijke redenen voor het herroepen. In een aantal gevallen zal dan blijken dat het inderdaad onjuiste herinneringen betreft. In andere gevallen zouden andere redenen, zoals bovenstaande, een rol kunnen spelen. Hierdoor kan het verschijnsel ‘retraction’ niet als argument gebruikt worden voor de stelling dat ‘hervonden herinneringen’ niet bestaan.

De auteur is Onno van der Hart dank verschuldigd voor zijn aanwijzingen bij het tot stand komen van dit artikel.

Summary

Recently, cases have been described in which people retract their previously reported or alleged memories of childhood sexual abuse. Some authors regard this retraction as evidence for the falseness of these memories. Using two case examples of Milton
H. Erickson (1938), in this article it is argumented that this position is not always tenable.

Referenties

Crombag, H.F.M., & Merckelbach, H.L.G.J. (1996).
Hervonden herinneringen en andere misverstanden. Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij Contact.

Erickson, M.H. (1938). Negation or reversal of legal testimony.
Archives of Neurology and Psychiatry, 40, 548–553. Ook in E.L. Rossi (Ed.) (1980).
Hypnotic investigation of psychodynamic processes (pp. 221–228). New York: Irvington Publishers.

Freyd, J.J. (1996).
Betrayal trauma: The logic of forgetting childhood abuse. Cambridge, Massachusetts/London, England: Harvard University Press.

Hart, O. van der, & Nijenhuis, E. (1996). Dissociatieve amnesie voor traumatische ervaringen.
Maandblad geestelijke volksgezondheid, 51(7/8), 728–747.

Kluft, R.P. (1995). The confirmation and disconfirmation of memories of abuse in
DID patients: A naturalistic clinical study.
Dissociation, 8, 253–258.

Loftus, E.F., & Ketcham, K. (1995).
Graven in het geheugen: De mythe van de verdrongen herinnering. Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij L.J. Veen.

Wagenaar, W.A., & Crombag, H.F.M. (1995). Verdrongen herinneringen.
Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 139, 1275–1279.

Pictogram

DT-17-2-156.pdf 608.09 KB 70 downloads

Herroepen herinneringen zijn niet per definitie onjuiste herinneringen: twee voorbeelden...