Jaargang 17 (1997)
Nummer: 1
Artikel: 57

In het boek Hervonden herinneringen en andere misverstanden doen de Maastrichtse psychologen Crombag en Merckelbach nogal krasse uitspraken over de aard van de zogeheten hervonden herinneringen en de meervoudige persoonlijkheidsstoornis. In hun verantwoording van dit boek tekenen zij aan dat wie hen wil tegenspreken zijn of haar standpunt ten minste even goed zal moeten documenteren met de resultaten van empirisch onderzoek als zij dat hebben gedaan. De vraag is of deze auteurs zelf hun huiswerk wel zo goed hebben gedaan als zij beweren. Wij zijn dat eens nagegaan met betrekking tot hetgeen zij te berde brengen over de beroemde 19e eeuwse MPS–patiënt Louis Vivet. Crombag en Merckelbach doen in het zesde hoofdstuk van hun boek een aantal uitspraken over deze veel geciteerde casus, die bij nader inzien volledig onjuist blijken te zijn.

Louis Vivet werd in 1863 vlakbij Parijs geboren. Toen hij acht jaar was werd hij veroordeeld wegens diefstal en geplaatst in een heropvoedingsinstituut, waar hij zou moeten blijven tot zijn achttiende. Als gevolg van zogenoemde hystero–epileptische aanvallen raakte hij verlamd aan zijn benen en werd hij in 1880 overgeplaatst naar het psychiatrisch ziekenhuis van Bonneval, waar hij werd behandeld door Camuset, die hierover in 1882 publiceerde. Na deze eer–ste opname zouden vele andere opnames volgen. Als mannelijke hysteriepatiënt, lijdend aan ‘double conscience’, werd hij gezien en beschreven door vooraanstaande medici, waaronder Camuset, Charcot en Voisin.

Crombag en Merckelbach wekken de suggestie dat Louis Vivet twee persoonlijkheden had. Zij baseren zich hierbij op de Franse auteurs Bourru en Burot die Louis Vivet gedurende de zomermaanden van 1885 behandelden in het Militaire Ziekenhuis van Rochefort. Crombag en Merckelbach:

‘Kort nadat Myers Crombag en Merckelbach doelen hier op F.W.H. (Frederic) Myers. zijn theorie had gelanceerd, maakten de Franse artsen Bourru en Burot melding van het merkwaardige geval van Louis V. Deze jongeman kon in twee persoonlijkheidstoestanden verkeren. In de ene toestand had hij een verlamde rechterlichaamshelft, wat vanwege de gekruiste verbindingen in het zenuwstelsel op een ontregeling van de linkerhersenhelft duidt. In die toestand sprak hij slecht en gedroeg hij zich ongemanierd. In de andere toestand had hij een verlamde linkerlichaamshelft, wat op een defect in de rechterhersenhelft wijst, sprak hij goed en betoonde zich aardig en meegaand. Aan de hand van dit geval dachten de Franse auteurs te kunnen aantonen dat er in ieder mens twee conflicterende persoonlijkheden huizen, die elk worden aangestuurd door een andere hersenhelft.’ (p. 109)

In hun eerste artikel uit 1885 beschrijven Bourru en Burot zeer uitgebreid de zes persoonlijkheden van Louis Vivet. Van deze zes persoonlijkheden beschrijven zij verschillen in lichamelijke kenmerken (verlammingen, ongevoeligheden, enz.), karakter, intellectuele ontwikkeling en geheugen. Deze zes persoonlijkheden zijn later overzichtelijk in een tabel geplaatst door Arthur Myers (1886). Waarop Crombag en Merckelbach de idee baseren dat Louis volgens Bourru en Burot twee persoonlijkheden had is ons absoluut niet duidelijk.

Daarbij beweren Crombag en Merckelbach dat Bourru en Burot met behulp van de casus van Louis Vivet meenden te kunnen aantonen dat er in ieder mens twee conflicterende persoonlijkheden huizen, die elk worden aangestuurd door een andere hersenhelft (zie bovenstaand citaat). Bourru en Burot zouden deze dualiteitstheorie hebben overgenomen van Frederic Myers.

Bourru en Burot schrijven in hun eerste artikel Observations et documents de la multiplicité des états de conscience chez un hystéro–épileptique uit 1885:

‘Wij dachten aanvankelijk dat de aangrijpende verandering, vergezeld door de overdracht van de gevoeligheid en beweging van links naar rechts, een dissociatie betrof van de activiteiten van de twee hersenhelften, maar natuurlijk probeerden wij dan door latere experimenten deze patiënt de werking van zijn gehele hersenen terug te geven.’ (p. 412)

Bourru en Burot reageren hiermee niet op Myers, zoals Crombag en Merckelbach beweren, maar sluiten aan bij de theorieën omtrent de op dat moment in Frankrijk veel gebruikte ‘metallotherapie’. Bij deze therapie, voortkomend uit de onderzoeken van Dumontpallier, Charcot en Luys (1877), werden hysterische hemi–anesthesie–patiënten genezen door het plaatsen van verschillende metalen op de verlamde lichaamsdelen. Tevens vonden Dumontpallier, Charcot en Luys dat, wanneer de sensaties op deze manier hersteld werden, de symmetrische gebieden aan de gezonde kant van het lichaam hun normale gevoeligheid verloren. Volgens de Franse theorie betekende dit een dynamische overdracht van de hiervoor verantwoordelijke lesie van de ene naar de andere hemisfeer (Harrington, 1985).

Pas in 1887 komen we Frederic Myers en zijn theorie, dat in de linkerhersenhelft zich de goede en in de rechterhersenhelft de slechte en wilde persoonlijkheid zou bevinden, tegen in een artikel van Bourru en Burot. Zij maken hierbij de kanttekening dat zij deze indeling prematuur vinden. Dit is niet verwonderlijk aangezien Bourru en Burot een toestand vinden bij Louis Vivet die verlamd is aan beide benen en derhalve niet in te delen is bij of rechts of links. In 1888 (heruitgegeven in 1895) halen Bourru en Burot de ‘dualiteitstheorie’ nogmaals aan in het kader van een discussie over de mogelijke oorzaken van de persoonlijkheidsproblematiek van Louis Vivet en geven daarbij aan dat de theorie niet geschikt is om een dergelijk complexe casus te beschrijven:

‘De dualiteitstheorie laten we, definitief, rusten omdat deze theorie absoluut willekeurig is, aangezien de strijd niet altijd tussen twee toestanden gaat. De ervaring weerlegt deze theorie volledig.’ (p. 288)

De hierboven vermeldde uitspraken met betrekking tot Louis Vivet doen Crombag en Merckelbach binnen de eerste paragraaf van hoofdstuk 6, ‘Dissociatie: een korte ideeëngeschiedenis’. Deze paragraaf, waarin zij het intellectuele milieu schetsen waarin Pierre Janet verkeerde, lijkt er alleen op gericht te zijn aan te tonen dat alle theorieën met betrekking tot dissociatie en meervoudige persoonlijkheid uit Engeland kwamen. Dit is onjuist. Zo noemen Crombag en Merckelbach het feit dat de negentiende eeuwse Engelse hausse van patiënten met ‘double consciousness’, aan die in Frankrijk vooraf ging. Dit is enkel waar wanneer men naar patiënten kijkt met deze specifieke diagnose ‘double conscience’, omdat in Frankrijk deze benaming pas aan het eind van de negentiende eeuw van de Engelsen werd overgenomen. Tot die tijd werden dergelijke patiënten in Frankrijk ‘somnambules’ genoemd (Hacking, 1995).

In dit anti–Franse betoog schrijven Crombag en Merckelbach verder dat de Brit Stevenson, de schrijver van ‘The strange case of Dr. Jekyll and Mr. Hyde’ (1886) spoedig een Franse opvolger kreeg in de vorm van Epheyres ‘Soeur Marthe’ (1889). Dit is een verkeerde voorstelling van zaken, want in navolging van de casestudies van o.a. Mary Reynolds (1816) en Félida X (1876) verschenen eerder al diverse verhalen over dergelijke ‘somnambules’ en ‘doubles’ (Harrington, 1985). Zo beschrijft Gozlan al in 1839 het verhaal van een man die opgenomen is in een sanatorium en tijdens een ‘somnambulistische’ ontsnapping een jonge vrouw zwanger maakt, waarvan hij zich in zijn normale toestand absoluut niets kan herinneren (Ellenberger 1970).

Tot slot willen we opmerken dat publicaties van de gebroeders Myers en van Bourru en Burot noch in de literatuurlijst noch in de noten voorkomen. Mogelijk gebruiken Crombag en Merckelbach hier informatie uit een secundaire bron die ze vergeten zijn te vermelden? Wat ook het geval moge zijn, het is nu voor niet–ingewijde lezers niet mogelijk de genoemde uitspraken te toetsen. Dit is in tegenspraak met de uitlatingen die Crombag en Merckelbach in de verantwoording van hun boek doen over goed gedocumenteerd zijn. Hun stellige betoogtrant is in ieder geval met betrekking tot de geschiedenis van MPS misplaatst.

Hadden Crombag en Merckelbach wel primaire bronnen geraadpleegd, dan hadden zij eveneens op kunnen merken dat, in tegenstelling tot wat de auteurs beweren, Félida X historisch gezien vóór Louis Vivet geplaatst dient te worden. Félida X, een beroemde ‘double’, werd geboren in 1843, twintig jaar voor Louis Vivet. Azam kende haar sinds 1858 en publiceerde voor het eerst over haar in 1876. Camuset, die in 1882 als eerste Vivet beschreef, vergeleek Louis in zijn artikel dan ook met Félida X.

Referenties

Azam, A. (1876). Amnésie periodique, ou dédoublement de la vie. Archives générales de médécine. Ser. 5, 16:5–35.

Azam, A. (1887). Hypnotisme, double conscience et altération de la personnalité. Paris: J.–B. Baillière.

Bourru, H., & Burot, P. (1885). Un cas de la multiplicité des états de conscience chez un hystéro–epileptique. Revue philosophique, 20, 411–416.

Bourru, H., & Burot, P. (1886). Les changements d’état de la conscience. Annales Médico–Psychologiques, Janvier, 114–124.

Bourru, H., & Burot, P. (1887). Les variations de la personnalité. Revue de l’hypnotisme, premier trimestre, 193–199, 236–241, 261–265.

Bourru, H., & Burot, P. (1895). La suggestion mentale et les variations de la personnalité. Paris: J.–B. Baillière (Les variations de la personnalité: heruitgave van 1888).

Camuset, L. (1882). Un cas de dédoublement de la personnalité; période amnésique d’un année chez un jeune homme. Annales Médico–Psychologiques, 40, 75–86.

Dumontpallier, A., Charcot, J., & Luys, J. (1877). Rapport fait à la Société de Biology sur la métalloscopie du docteur Burq. Compte Rendu de la Société de Biology (Sec. Mémoires), 6th ser. 4:1–24.

Ellenberger, H.F. (1970). The discovery of the unconscious. The history and evolution of dynamic psychiatry. London: Fontana Press (1994).

Hacking, I. (1991). Double consciousness in Britain 1815–1875. Dissociation, 4(3), 134–135.

Hacking, I. (1995). Rewriting the soul. Multiple personality and the science of memory. Princeton, New Jersey: Princeton University Press.

Harrington, A. (1985). Nineteenth–century ideas of hemispere differences and ‘duality of mind’. The behavioral and brain sciences, 8, 617–660.

Janet, P. (1893). État mental des hystériques: les stigmata mentaux. Paris: Rueff et C ie.

Janet, P. (1894). État mental des hystériques: les accidents mentaux. Paris: Rueff et C ie.

Janet, P. (1907): The mayor symptoms of hysteria. New York/London: Hafner Publishing Company (1965).

Kersten, J., & Koopman, D. (1994). Conversie, somatisatie en dissociatie. Classificatie volgens de ICD–10 en de DSM–IV, (literatuurscriptie Klinische Psychologie Universiteit Utrecht).

Myers, A.T. (1886). The life–history of a case of double or multiple personality. Journal of Mental Science, January, 596–605.

Myers, F.W.H. (1885). Automatic writing. Proceedings of the Society for Psychical Research, 3, 23–63.

Myers, F.W.H. (1903). Human personality and its survival of bodily death, vol. 1. New York, Londen, Bombay: Longmans, Green, and co.

Voisin, J. (1885). Note sur un cas de grande hystérie chez l’homme avec dédoublement de la personallité. Arrêt de l’attaque par la pression des tendons. Annales Médico–Psychologiques , Julliet, 100–114.

Voisin, J. (1887). De la suggestion – Action des médicaments à distance chez des hystéro–épileptiques – Action de l’aimant et des métaux – Hémorrhagies cutanées – Changements psychiques et somatiques. Annales Médico–Psychologiques , Janvier, 134–150.