Jaargang 16 (1996)
Nummer: 1
Artikel: 64

Samenvatting

Huisdieren kunnen een belangrijke betekenis hebben voor hun bazen. Hun overlijden roept vaak een sterke rouwreactie op. Dit wordt maatschappelijk echter niet aanvaard. Er wordt een casus beschreven, waarin een vrouw een chronische rouwreactie ontwikkelde naar aanleiding van het overlijden van haar hond. Haar rouwreacties riepen in eerste instantie verbazing op. Pas toen de therapeut koos voor een strategie die de betekenis van het dier voor haar centraal stelde, kwam er verandering.

Inleiding

Keddie (1977)
merkt op dat huisdieren in de vakliteratuur voornamelijk voorkomen als objecten voor een fobie dan wel als objecten voor seksuele interesse (bestialiteit). Hij spreekt zijn verbazing erover uit dat er, gezien de significante plaats die een huisdier in een gezin kan innemen, zo weinig onderzoek gedaan is naar rouw na het overlijden van een huisdier. Nu bijna twee decennia later, is daar eigenlijk weinig verandering in gekomen. Onlangs maakten kranten melding van de oprichting van een zelfhulpgroep voor mensen met verwerkingsproblemen naar aanleiding van de dood van hun hond.

Tegenwoordig heeft iemand na het overlijden van zijn huisdier drie keuzemogelijkheden: niet alleen meer het destructiebedrijf, maar ook begraven dan wel cremeren. Dit alles wijst erop dat het overlijden van een huisdier voor mensen een belangrijke gebeurtenis kan zijn.

In dit artikel wordt ingegaan op de rouwreactie die kan optreden na het overlijden van een huisdier in het licht van de betekenis die het huisdier voor iemand kan hebben. Voorts wordt aangegeven dat het maatschappelijk niet aanvaardbaar is te rouwen over de dood van een huisdier. Vervolgens wordt een casus besproken van een patiënte bij wie er chronische rouw was naar aanleiding van het overlijden van haar hond. De therapeut was in eerste instantie verbaasd over haar sterke rouwreacties.

Betekenis en rouw

In een onderzoek van
Mugford en M’Comisky (1975) kregen gepensioneerde alleenstaanden een parkiet. Een controlegroep kreeg dit niet. Het bleek nu dat de experimentele groep gelukkiger was en meer sociale contacten had dan de controlegroep.

Harrison (1982) spreekt over de ‘nonconventional human companion animal bond’. Hij beschrijft dit als een overafhankelijkheid van het huisdier of het menen een speciale relatie met het dier te hebben, waarin het huisdier gezien kan worden als een substituut voor de relatie met een mens. Hij stelt dat 40% van de cliënten van zijn privé–veterinaire kliniek een dergelijke relatie met zijn huisdier heeft.

DeGroot (1984)
gaat nog een stapje verder:

‘For many complex reasons, the emotional attachment which many humans develop for their pet not only equals but indeed frequently transcends the emotional attachments which they form with humans’.

Stewart, Thrush en Paulus (1989) verrichtten een vragenlijstonderzoek onder 220 Noordamerikaanse huisdierbezitters. Uit hun onderzoek bleek dat de meesten hun huisdier als een ‘metgezel’ beschouwden en hen behandelden als een familielid.

Carmack (1985)
komt tot een soortgelijke conclusie. Hij voegt er aan toe dat het huisdier vaak aangesproken wordt als een klein kind.

Midas
Dekkers (1986) laat zich veel relativerender over de betekenis van het huisdier uit. Hij gaat in op de beroemde dierenfoto’s van de Amerikaan Frees. Kenmerkend voor zijn stijl was dat honden en katten altijd op ‘schattige’ wijze waren aangekleed. Midas Dekkers stelt dat in de foto’s van Frees onze antropromorfe kijk tot werkelijkheid is geworden. Hij voegt eraan toe dat hij bang is dat ‘het knopje’ niet meer wil terugschieten.

In een artikel van
Carmack (1985) over het functioneren van familieleden na het overlijden van een huisdier laat het erin besproken casuïstisch materiaal ook veelvuldig antropromorfisering zien. Bijvoorbeeld:

‘She was a child, but she was also a best friend, she was also like a lover’

– woorden van een jonge getrouwde man na het overlijden van zijn hond.

Parkes (1985)
stelt dat rouw niet alleen optreedt bij het overlijden van een partner, kind of nader familielid maar bij alle belangrijke verliezen die tot een snelle en belangrijke verandering in iemands wereld leiden. Hij geeft hier een aantal voorbeelden van: het verlies van een huis, beroep, arm of been. Ook het overlijden van huisdieren beziet hij in dit kader.

Archer en Winchester (1994) construeerden een ‘pet loss questionaire’ die afgenomen werd bij 88 mensen die onlangs hun huisdier verloren hadden. Hun conclusie is dat de rouwreactie niet echt verschilt met de rouwreactie die optreedt bij het verlies van een mens aan wie men gehecht is. Alleen is de rouw iets minder intens. Zij pleiten ervoor om rouwreactie bij het overlijden van een huisdier te zien in het kader van het verlies van een familielid en niet, zoals Parkes voorstelt, als het verlies van bezit.

Parkes (1985)
wijst een aantal risicofactoren aan die ertoe kunnen leiden dat rouw chronisch wordt. Eén van deze factoren betreft een afhankelijke of symbiotische relatie. Dit laatste is nu precies wat een aantal ‘bazen’ en ‘bazinnen’ met hun huisdier ontwikkelen.

Carmack (1985)
haalt een patiënte van haar aan die het als volgt formuleert:

‘Tiny, my cat was my love. She was the center of my life, my job, she’s the reason I came home at night. My marriage is in trouble, and there are many times I wouldn’t have come home if it hadn’t been for Tiny being there’.

Keddie (1977)
bespreekt drie patiënten die naar aanleiding van het overlijden van hun huisdier ernstige symptomen ontwikkelden. Zijn conclusie is dat voor sommigen het houden van een huisdier ernstige risico’s met zich mee kan brengen, voornamelijk wanneer iemands persoonlijke leven een gebrek aan emotionele invulling laat zien. Deze wordt dan bij het huisdier gezocht.

Carmack (1985)
stelt dat bij het overlijden van een huisdier een even sterke rouwreactie kan optreden als bij het overlijden van een mens. Voorts memoreert ze dat sommige bazen mogelijk openlijk verkondigen dat ze liever hun wederhelft kwijtraken dan hun huisdier.

In het Rotterdams Dagblad van 25 november 1995 wordt melding gemaakt van de conferentie
‘Het huisdier als gezelschapsdier’ . N. Endenburg stelde hier dat het overlijden van een huisdier net zoveel verdriet veroorzaakt als het verlies van een gezinslid of een goede vriend. Ook gaf ze aan dat het ‘baasje’ gemiddeld achteneenhalve maand nodig heeft om het overlijden te verwerken.

Cowles (1985) stelde dat het maatschappelijk niet aanvaardbaar is om te rouwen over het overlijden van een huisdier.
Doka (1989) ziet het verlies van een huisdier als een vorm van ‘disenfranchized grief’. Hij doelt hier op rouwreacties die niet door anderen worden herkend. Andere aanleidingen voor dergelijke rouwreacties kunnen bijvoorbeeld zijn een abortus of perinatale dood.

De besproken literatuur laat het volgende zien. Bij overlijden van een huisdier kan er eenzelfde soort rouwreactie optreden als die volgt op het overlijden van een mens. Maatschappelijk rust hier evenwel een verbod op: een dergelijke betekenis hoort het overlijden van een huisdier niet te hebben. Dit laatste is mogelijk de reden dat een aanmeldingsklacht als chronische rouw naar aanleiding van het overlijden van een huisdier een zeldzaamheid is in de psychotherapeutische praktijk.

Casus

Onze patiënte was een 39–jarige vrouw, secretaresse van beroep. Ze had sinds tien jaar een LAT–relatie. Haar klachten waren begonnen naar aanleiding van het overlijden van haar hond Goliath, een rottweiler. Sinds het overlijden van haar hond had patiënte de volgende klachten ontwikkeld: ze sliep heel slecht, had weinig eetlust en had eigenlijk nergens meer zin in. Patiënte had aanvankelijk frequent de huisarts bezocht met deze klachten. Nadat hij de mogelijkheid van psychotherapie verschillende malen ter sprake had gebracht, stemde patiënte ermee in. Ze beschreef zich als een van huis uit heel actieve vrouw. Ze had altijd aan stijldansen gedaan, ging graag op bezoek en ontving graag bezoek. Sinds de dood van haar hond had ze in al deze activiteiten geen zin meer. Voor het overlijden van de hond had patiënte een bevredigend seksueel contact met haar vriend. Sinds het overlijden was de frequentie van dit contact tot nul gedaald. Overigens had patiënte ook nog een vrouwelijke dalmatiër. Goliath was evenwel altijd haar lievelingshond geweest. Zij was vast van plan nooit meer honden te ‘nemen’, omdat ze niet nog een keer wilde doormaken wat ze nu doormaakte. Met haar vriend had patiënte inmiddels vaak heftige ruzies, die allemaal het thema dat hij steeds moeilijker kon accepteren dat zij zo futloos was tot onderwerp hadden. Patiënte verweet hem dan steevast dat hij er niets van begreep. In huis was het nodige wat haar aan Goliath herinnerde. Op de schoorsteen stond diens urn. In de hal hing zijn riem met daarnaast een fotoportret van hem. Voor het slapen gaan had patiënte een speciaal ritueel. Er lag een foto van Goliath onder haar kussen en voor het slapen gaan haalde ze deze daaronder vandaan, bekeek de foto en kuste vervolgens het portret. ‘Ik hoop dat het goed met je gaat, ga maar lekker slapen’, waren de woorden die ze tot het portret sprak.

Uit haar verhalen over de hond was duidelijk op te merken dat de hond ‘alles’ voor haar was. Ze gaf onomwonden toe dat de hond een belangrijkere plaats in haar leven innam dan haar vriend. Patiënte had ook problemen met haar ouders gekregen, die haar reactie op het overlijden niet konden begrijpen. Terwijl ze voor het overlijden van de hond één keer per twee weken naar haar ouders ging, was ze sinds het overlijden van de hond nauwelijks meer bij hen geweest.

Eerste zitting

In tranen vertelde patiënte hoe het sinds het overlijden van haar hond, nu een jaar geleden, met haar gegaan was. Niets was meer leuk. De twee honden hadden altijd haar leven bepaald. De belangrijkste gebeurtenis van de dag was altijd het ’s avonds uitlaten van de honden geweest. Patiënte was moeilijk te stuiten in haar beschrijving van hoe geweldig Goliath wel was en hoe zinloos het leven nu zonder hem. De therapeut hoorde dit zwijgend en inwendig wat verbaasd aan. Zeer verbaasd was de therapeut over het beschreven bedritueel met de foto. Overigens probeerde hij zijn verbazing zo goed mogelijk voor patiënte te camoufleren. De eerste zitting werd verder gebruikt om te inventariseren welke veranderingen er allemaal in het leven van patiënte hadden plaatsgevonden sinds het overlijden van de hond.

Tweede zitting

De tweede zitting begon zoals de eerste. Patiënte begon uitgebreid te vertellen over het gemis van Goliath. Regelmatig noemde ze Goliath ‘mijn kind’. De therapeut besloot hier op aan te sluiten. Hij merkte op dat het hem duidelijk was geworden dat patiënte Goliath als haar kind zag. Hij vroeg aan patiënte of hij dit goed gezien had. Dit bleek volledig juist te zijn. Anderen (haar vriend, haar ouders) konden dit niet accepteren, maar dit was nu precies zoals het voor haar was. De therapeut vroeg hierop of ze ook dacht dat Goliath haar als zijn moeder gezien had.

Patiënte keek de therapeut hierop verbaasd aan. De therapeut vervolgde met een uitleg over honden. Wat hij van honden wist was dat honden roedeldieren waren. En dat het voor honden belangrijk was dat er in de roedel een leider was. En in zijn visie was zij duidelijk de roedelleider. Was het niet zo dat Goliath haar veel meer als de roedelleider dan als moeder gezien had? Enigszins aarzelend gaf patiënte toe dat dit zo zou kunnen zijn. Maar dat nam niet weg, zo voegde ze er onmiddellijk aan toe, dat Goliath toch voor altijd haar kind was. De therapeut antwoordde hierop dat dit voor hem duidelijk was, maar dat hij zich afvroeg of, als je het in termen van een roedel zou bekijken, dit eigenlijk wel een juiste visie was. Na enig nadenken beaamde patiënte dat het waarschijnlijk niet een juiste visie was, maar toch wel de hare. Weer begon de therapeut uitgebreid uit te weiden over hond en roedel. De zitting eindigde met de opdracht nog eens goed over het ‘roedelverhaal’ na te denken en te bekijken in hoeverre zij zich kon schikken in de gedachte een roedelleidster in plaats van een moeder voor Goliath te zijn geweest.

Derde zitting

Patiënte begon de zitting met te vertellen dat ze uitgebreid had nagedacht. Ze had de therapeut wel begrepen en dat over de roedel zou wel waar zijn, maar het maakte voor haar allemaal niets uit. Goliath bleef haar kind, zo voelde ze het nu eenmaal. Vervolgens vroeg patiënte aan de therapeut of hij ook een hond had.

De therapeut beaamde dit. Patiënte stelde wat vragen over de hond van de therapeut, die de therapeut naar waarheid beantwoordde. Ook vertelde de therapeut wat anekdotes over zijn hond, een kruising tussen een herder en een Deense dog. Patiënte begon hierop zelf nog wat anekdotes uit het leven van Goliath te vertellen. Op een gegeven moment vroeg de therapeut waar zij dacht dat Goliath nu was. Eerst zei patiënte dat ze het niet wist. Later na enig nadenken zei ze wat schaamtevol: ‘Misschien wel in de hemel’. Hierop zei de therapeut vriendelijk: ‘Laten we nu eens aannemen dat Goliath in de hemel is. En laten we eens voorstellen dat Goliath naar beneden kijkt en ziet hoe u nu bezig bent met uw leven. Wat zou Goliath hiervan vinden?’. Patiënte gaf aan dat Goliath het met haar wijze van leven totaal niet eens zou zijn. De therapeut vroeg hierop: ‘Waarom niet?’ Patiënte gaf aan dat Goliath het idee zou hebben dat zij op deze manier haar leven aan het verpesten was. Hierop werd het begrip ‘trouw aan de overledene’ ingevoerd. Ook al is iemand dood dan kun je nog steeds trouw zijn aan zijn/haar denkbeelden. Zou je, zo opperde de therapeut, in haar geval kunnen spreken van duidelijke ontrouw? ‘Wat Goliath ervan vond’ bleef de rest van de zitting het centrale thema.

Uitgebreid werden de verschillende dingen die zij niet meer deed in dit licht besproken. In de loop van het gesprek raakte ze er steeds meer van overtuigd dat er iets moest veranderen. Tegen het einde van de zitting prees therapeut patiënte voor de wijze waarop ze zich in Goliath had weten te verplaatsen. Hij had het gevoel dat het heel belangrijk was dat ze hier mee doorging en vroeg haar of ze het hiermee eens was. Dit bleek het geval te zijn.

Hij stelde de volgende opdracht voor: iedere dag tien minuten nadenken over haar ontrouw ten aanzien van Goliath. Ook werd haar gevraagd hier steeds kort iets over op te schrijven en haar aantekeningen de volgende zitting mee te nemen.

Zitting vier

Patiënte had de opdracht goed uitgevoerd. Eigenlijk, zo zei ze, had ze er steeds langer dan tien minuten over nagedacht. Ze had sterk het gevoel dat ze moest veranderen. Eigenlijk had ze hier al een klein beginnetje mee gemaakt. Haar buurvrouw was de afgelopen week jarig geweest en ze was op verjaardagsvisite gegaan. De eerste keer in een hele lange tijd. De therapeut stelde voor om eens samen na te gaan welke dingen allemaal veranderd zouden moeten worden teneinde te gaan leven zoals Golitah dit zou wensen. De rest van de zitting werd besteed aan deze inventarisatie. Opnieuw kreeg patiënte de opdracht mee iedere dag tien minuten over haar ontrouw na te denken.

Zitting vijf

Patiënte begon met te vertellen dat ze een moeilijke week had gehad. Ze had Goliath erg gemist. De therapeut vroeg hierop of patiënte de opdracht had kunnen doen. Dat was inderdaad gebeurd. Ze was er echter niet toe gekomen nieuwe activiteiten te ondernemen. De therapeut gaf hierop aan dat dit ook niet afgesproken was, maar dat het misschien goed was er in deze zitting over te praten in hoeverre patiënte vond dat ze dit moest gaan doen. Of eigenlijk, zo corrigeerde de therapeut zichzelf, in hoeverre Goliath zou vinden dat ze dit zou moeten doen. Patiënte gaf aan dat zowel zij als, in haar gevoel, Goliath vond dat er een aantal dingen veranderd moesten worden. Met behulp van de lijst die de vorige keer gemaakt was, werden er met patiënte concrete afspraken gemaakt over activiteiten die ze die week zou gaan ondernemen. Patiënte koos er voor een paar keer bij iemand op bezoek te gaan.

Volgende zittingen

Geleidelijk aan begon patiënte meer activiteiten te ondernemen. Haar slaapproblemen werden minder. Ook klaarde haar stemming geleidelijk op. In de achtste zitting werd het thema seks met haar vriend geïntroduceerd. Patiënte wou hier voorzichtig mee starten. Gevraagd werd wat patiënte bedoelde met voorzichtig starten. Het bleek dat patiënte wel met hem wilde vrijen maar nog geen coïtus wilde hebben. Patiënte werd geadviseerd hier de weg van de geleidelijkheid te bewandelen. Ook vatte patiënte het plan op om weer te gaan stijldansen. Het leidend thema bleef steeds wat Goliath vond dat ze moest veranderen en in welk tempo. De veranderingen bleven zich voortzetten totdat patiënte eigenlijk alles deed wat ze vroeger gewend was te doen. Het seksueel contact met haar vriend ervaarde ze als bevredigend. Op een gegeven moment introduceerde patiënte het sluimerend conflict dat ze nog steeds met haar ouders had. Erg gegriefd was ze over de volgende vraag van haar ouders: ‘Waarom neem je niet gewoon een nieuwe hond?’ De therapeut merkte op dat dit duidelijk een opmerking van niet–hondenliefhebbers was. Patiënte was het hier volledig mee eens. De therapeut vroeg zich af of je dan iemand een dergelijke opmerking wel kwalijk kon nemen. Immers niet–hondenliefhebbers wisten niet beter. Patiënte was het hier totaal niet mee eens. Haar ouders hadden beter moeten weten. Ze wisten immers hoe belangrijk Goliath voor haar was. Eigenlijk moesten haar ouders eerst maar eens hun excuses aanbieden. Voorts bleken er problemen te zijn met het dochtertje van haar vriend. Haar vriend was gescheiden en zijn dochtertje bracht één keer per veertien dagen het weekend bij hem door. Zij had een keer opgemerkt: ‘Nu Goliath dood is, ben ik lekker jouw vriendinnetje’. Deze opmerking had patiënte diep gekwetst. Zij wist dat deze opmerking voortkwam uit jaloezie. Het meisje was al vaker jaloers geweest op Goliath. Vaak gebeurde het, zo vertelde ze, dat als ze iets met Goliath aan het doen was het meisje probeerde haar aandacht te trekken. Ze had haar hiervoor steeds een standje gegeven. Hier vond ze zelf niets vreemds aan. Het was nu eenmaal zo dat haar honden voor haar op de eerste plaats kwamen. Omdat het dochtertje wist hoe belangrijk Goliath voor haar was, had ze de bewuste opmerking nooit mogen maken. Pogingen van de therapeut de opmerkingen van haar ouders en het dochtertje anders te belichten, liepen op niets uit.

Ook de volgende zittingen vormden de relatie met haar ouders en het dochtertje van haar vriend het centrale gespreksthema. Ten aanzien van het dochtertje van haar vriend verschoof patiënte wel iets, in de trant van ‘Ach kinderen weten niet beter’. Dit leidde ertoe dat ze in het dagelijks leven wat hartelijker met haar kon omgaan. Ten aanzien van haar ouders bleef haar standpunt ongewijzigd. Na drie zittingen gaf patiënte te kennen het nut van verdere gesprekken eigenlijk niet in te zien. Het ging goed met haar en ze was toch niet van plan ten aanzien van haar ouders de eerste stap te zetten. Het bleek niet mogelijk patiënte te motiveren tot verdere gesprekken en er werd een controle–afspraak over drie maanden gemaakt. Hier meldde patiënte dat het nog steeds goed met haar en haar vriend ging. Het contact met het dochtertje gaf geen problemen meer. Het contact met haar ouders was evenwel nog steeds niet hersteld en dat hoefde voorlopig ook niet voor haar. De urn van Goliath sierde nog steeds de schoorsteenmantel, maar zijn foto onder haar kussen gebruikte ze niet meer.

Discussie

Zoals reeds vermeld was de eerste reactie van de therapeut op het probleem van de patiënte, er één van verbazing. Nog verbaasder waren een aantal collega’s die hij over het probleem van patiënte vertelde. De meest uitgesproken reactie was: ‘Dat mens is gek, die moet je niet behandelen’. Eigenlijk zijn alle reacties van verbazing, inclusief die van de therapeut, vreemd in het licht van het soort moeilijkheden dat patiënten doorgaans in therapie ter sprake brengen. De gemiddelde therapeut zal hoegenaamd niet verbaasd zijn dat iemand na iedere wandeling uitgebreid moet douchen om eventuele besmetting op te heffen. Of dat iemand met een gewicht van 45 kg zich dik vindt en dergelijke. Het lijkt wel of er een ongeschreven afspraak is omtrent welke dingen wel en welke dingen geen probleem mogen zijn. Rouwen naar aanleiding van het overlijden van een huisdier mag niet, vele andere, eigenlijk minder invoelbare zaken, mogen wel.

In het
DSM–III–Casebook (1981) wordt de volgende casus beschreven: Een gepensioneerde politieagent van vijftig ontwikkelt klachten als somberheid, vermoeidheid, slaapstoornissen en concentratieproblemen naar aanleiding van het overlijden van zijn hond. Het
Casebook stelt dat wanneer het hier zou gaan om het overlijden van een mens deze klachten niet abnormaal zouden zijn. Echter nu het hier om het overlijden van een hond gaat, is er volgens het
Casebook sprake van een mentale stoornis. De tussen haakjes geplaatste toevoeging is echter interessant: ‘Clinicians with particular fondness for “man’s best friend” may disagree with this conclusion and prefer instead the designation Uncomplicated Bereavement’.

Het conflict dat patiënte had met haar ouders en het dochtertje van haar vriend is begrijpelijk in het licht van haar waardensysteem: voor alles komen haar honden.

Vanuit het waardensysteem van patiënte gezien is het verklaarbaar dat zij er niet toe gebracht kon worden zich vergevingsgezinder op te stellen. Stel dat in plaats van de hond haar vriend was overleden en haar ouders hadden gereageerd: ‘Waarom neem je niet gewoon een nieuwe vriend?’ In dat geval zou het voor iedere therapeut heel invoelbaar zijn dat zij haar ouders voorlopig niet wenste te zien. Aangezien Goliath op zijn minst zo belangrijk voor haar was als haar vriend is haar gedrag dus niet verwonderlijk. Wel leverde de confrontatie met een dergelijke waardensysteem een tweede moment van verbazing voor de therapeut op.

De ‘wat vindt Goliath ervan’ strategie werd hier niet toegepast, omdat de therapeut het idee had dat ‘Goliath’ er zeker geen andere mening op na zou houden.

Diagnostisch roept deze casus in eerste instantie de vraag op in hoeverre we hier te maken hebben met een theatrale persoonlijkheidsstoornis (
DSM IV). Onder punt 6 wordt genoemd: toont zelfdramatiserende, theatrale en overdreven uitingen van emoties. In eerste instantie kreeg de therapeut het gevoel dat dit zo was. Nadere beschouwing en literatuurstudie leverden een andere kijk op. Het typische juist van rouw naar aanleiding van een huisdier is dat de gevoelens van de huisdierbezitter haaks staan op hoe men maatschappelijk geacht wordt ermee om te gaan. Overigens voldeed patiënte aan geen van andere criteria voor een theatrale persoonlijkheidsstoornis.

De eerste strategie die in de therapie werd toegepast was eigenlijk gebaseerd op een waardeoordeel van de therapeut. Hij had duidelijk het idee dat je honden niet als kinderen moest zien, gewoon omdat ze dit nu eenmaal niet zijn. Dat deze strategie niet aansloeg is achteraf niet verwonderlijk. In deze fase informeerde de patiënte of de therapeut zelf honden had. Met andere woorden, wist hij überhaupt wel iets over hoe het is om een hond te hebben. Toen bleek dat de therapeut zelf ‘hondebezitter’ was, kreeg hij voor patiënte weer iets meer autoriteit.

De tweede strategie, die de betekenis van de hond centraal stelde, sloot veel beter bij de beleving van de patiënte aan. In deze strategie werd de plaats die de hond voor haar had juist benadrukt.
Parkes (1985) merkt op dat de gebruikelijke strategieën bij rouwproblemen zich richten op het uiten van emoties ten einde verwerking te bevorderen. Hij wijst erop dat de resultaten niet altijd even succesvol zijn. Naar zijn mening zijn dergelijke strategieën eigenlijk alleen geïndiceerd wanneer er sprake is van vermijden van verdriet. In andere gevallen moet volgens hem de strategie zich veel meer richten op het permissie geven om met rouwen te stoppen. De tweede strategie die gebruikt werd, is hierop gebaseerd.

De belangrijkste conclusie omtrent rouwreacties met betrekking tot het overlijden van huisdieren is dat het weinig zin heeft te vinden dat men deze reacties niet hoort te hebben. Het is zinvoller het als een serieus probleem te beschouwen en te behandelen met de daarvoor geschikte strategieën.

Summary

Domestic animals are pets when they are emotionally very important to their owners. Strong grief reactions following their death are therefore very common. These grief reactions are socially not accepted. A case is described in which a woman showed pathological mourning following the death of her dog. At first the therapist was amazed by the strength of her grief reactions. Change only occurred when the therapist applied a strategy based on the mutual acceptance of the emotional significance of her relationship with this animal.

Referenties

Archer, A., Winchester, G. (1994). Bereavement following death of a pet.
British Journal of Psychology, 85, 259–271.

Carmack, J. (1985). The effects on family members and functionering after death of a pet.
Marriage and Family Reviews, 8, 149–161.

Corles, K.V. (1985). The death of a pet: human responses to the breaking of the bond.
Marriage en Family Reviews, 8, 135–148.

Dekkers, M. (1986).
Mummies. Amsterdam: Contact.

Doka, K.J. (1989). Disenfranchised grief. In: K.J. Doka (red.),
Disefranchised Grief: Recognizing Hidden Sorrow. Lexington: Lexington Books.

DeGroot, A. (1984). Preparing the veterinarian for dealing with the emotions of pet loss. In: R.K. Anderson, B.L. Hart, & L.A. Hart (red.(,
The pet connection; Its influence on our health and quality of life. Proceedings of the Minnesota–California Conferences on the Human–Animal Bond. Minneapolis: University of Minnesota.

Harris, J.H. (1982. A study of Client Grief Responses to Death or Loss in a Companion Animal Veterinary Practice.
California Veterinarian, 36, 17–19.

Keddie, K.M.G. (1977). Pathological mourning after the death of a domestic pet.
British Journal of Psychiatry, 131, 21–25.

Mugford, R.A. & M’Comisky, J.G. (1975). In: R.S. Anderson (red.).
Pet Animals and Society. London: Ballière Tindall.

Parkes, C.M. (1985). Bereavement.
British Journal of Psychiatry, 146, 11–17.

Stewart, C.S. Thrush, J.C. & Paulus, G. (1989). Disenfranchised bereavement and loss of a companion animal: Implications for caring communities. In: K. Doka (red.).
Disenfranchised Grief: Recognizing Hidden Sorrow . Lexington: Lexington Books.

Spitzu, R.L., Skodol, A.E., Gibbon, M., Williams, J.B.W. (1981).

DSM–III

Casebook. Washington: The American Psychiatric Association.