Jaargang 14 (1994)
Nummer: 3
Artikel: 285

Pictogram

DT-14-3-285.pdf 553.45 KB 145 downloads

Rambo Szasz en de windmolens in psychiatrieland ...

In het voorwoord van zijn jongste boek
Cruel compassion dankt Thomas Szasz de Van Ameringen Foundation (who is who?)

‘for its support of my effort to present a systematic critique of the principles and practice of contemporary psychiatry’

. Het eerste deel van dit project vond zijn neerslag in het boek
Insanity (
Szasz, 1987) en zijn nieuwste telg zou het sluitstuk ervan vormen. Wie de geschriften van Szasz kent weet wat hem/haar te wachten staat aan ingenieus geconstrueerde polemische rethoriek. Als de auteur in de epiloog opmerkt:

‘My critique of psychiatric power has apparently left a mark, at least on some psychiatrists of my generation’

(Szasz, 1994, p. 201), dan geldt dit zeker voor mezelf. De opmerking in de aansluitende voetnoot:

‘Young generations seem to have been spared the confrontation’

, klopt vermoedelijk ook. Dit laatste is echter aan Szasz zelf te wijten, omdat zijn volgehouden kruistocht vandaag meer weg heeft van een tragikomische donquichotterie. Hij blijft immers tekeergaan tegen zo’n karikatuur van de (Amerikaanse) psychiatrie, dat hij wel lijkt storm te lopen tegen een windmolen in Disneyland.

De mythe en haar schepper

Dertig jaar geleden maakte Szasz ophef met
The myth of mental illness. Het blijft voor mij zijn beste boek en zonder twijfel ook zijn invloedrijkste werk (zie
Vatz & Weinberg, 1994). Sindsdien is zijn enorme schrijfproduktie – hij heeft nu 23 boeken op zijn naam staan – een modelvoorbeeld van intellectuele perseveratie. Zijn antipsychiatrische verdiensten wil ik niet onderschatten, maar meer en meer krijg ik de indruk dat het ook om een lucratieve herhalingsdwang gaat. In de vrije–markteconomie, die hem zo heilig is, heeft niemand zoveel verdiend aan het kritiseren van het vak waarin hij hoogleraar was als Thomas Szasz. Al drie decennia maakt hij
de psychiatrie tot een haast mythische vijand volgens het recept waarmee men in Hollywood aan de lopende band westerns en misdaadfilms ‘kloont’: de eenzame held, Rambo
XXIII, tegen alle ‘bad guys’ van de geïnstitutionaliseerde psychiatrische industrie.

Szasz creëert op de hem eigen dichotomische wijze een zwart/wit–wereld waarbij je als lezer impulsief slechts op één manier tegenover de schepper kunt staan: you love him or you hate him. Persoonlijk ben ik niet zo’n impulsief iemand; vandaar wellicht mijn gemengde reactie van plezier en ergernis bij de lectuur.
Geestesziekte als mythe heb ik met naïeve bewondering en maagdelijke verontwaardiging gelezen. Dat het een diepe indruk op mij en vele van mijn tijdgenoten maakte is niet enkel de verdienste van Szasz. Hij trad ook op als de paradigmatische en metabletische spreekbuis van een antipsychiatrische generatie – de mei 1968’ers – die de ‘love and peace’ van Woodstock verkoos boven de waanzin van Vietnam en die vadertje staat met een marihuanawalmpje provoceerde. Is het de onvermijdelijke tragiek van de geschiedenis, dat de ‘slachtoffers’ van beide partijen – posttraumatische stress en drugverslaving – nu in dezelfde psychiatrische kliniek pogen de littekens van hun beschadigde jeugd te verzachten? ‘Plus que ça change, plus que ça devient la même chose’; zo’n mondje Frans moeten ook Nederlanders kunnen begrijpen.

Als het inderdaad de overwinnaars zijn die de geschiedenis (her)schrijven, dan behoort Szasz al dertig jaar bij de ‘verliezers’. Dat laatste heeft hij echter zelf verkozen, want wat er ook moge veranderd zijn in de psychiatrie, hij blijft zoeken naar orwelliaanse thema’s om zijn identiteit als ‘dissident’ te bewaren.

Een nieuw milieuprobleem

Nu de trompetten van de antipsychiatrie de muren van de opberginstituten voor een groot deel hebben gesloopt, verplaatst onze kruisvaarder zijn Jericho door de ontmanteling van de psychiatrische asielen – deïnstitutionalisering – tot schietschijf te maken. Blijkbaar maken ronddolende daklozen de straten in de buurt van Szasz’s woning onveilig en lelijk:

‘Ugly because we tolerate unacceptable behavior by persons so long as, de jure, they are classified as mental patients; and unsafe, because many of these individuals engage in de facto aggression, depriving others of property, liberty, and even life’

(p. 168; alle volgende citaten zonder bronvermelding komen uit
Cruel compassion: Szasz, 1994).

Weliswaar heeft de emeritus–hoogleraar psychiatrie gelijk wanneer hij de Amerikaanse deïnstitutionalisering kenschetst als een soort cosmetische ‘transinstitutionalisering’ op grond van economische motieven. Maar in zijn ogen komt het probleem van de ‘homeless’ neer op een vorm van ‘menselijke pollutie’: het Amerikaanse paradijs van individuele vrijheid en persoonlijke eigendom wordt bedreigd door een bezoedeling met menselijke parasieten. Wat wil Szasz dan doen met dit nieuwe ‘milieuvraagstuk’? Meer tolerantie is zeker zijn boodschap niet; nee, hij gelooft zo sterk in een juridisch gestroomlijnde ‘law–and–order’–aanpak dat het nog enkel wachten is op nieuwe antipollutiewetten om hinderlijke of gevaarlijke zonderlingen door gevolmachtigde milieureinigers van de straat te laten oppikken en in de gevangenis te deponeren. Natuurlijk pleit Szasz niet openlijk voor een dergelijke politiek, maar uit vele opmerkingen maak ik op dat zijn schampere bedenkingen over

‘this new problem – which many tacitly recognize as a solution’

(p. 173) ook op hemzelf van toepassing kunnen zijn.

Wie niet horen wil…

Geestesziekte is een pseudowetenschappelijk excuus voor storend wangedrag (‘misbehavior’) van mensen met gebrek aan zelfdiscipline. Elke volwassene met voldoende gezond ontwikkelde hersenen beschikt volgens Szasz over het vermogen in volle vrijwilligheid – een combinatie van vrijheid en wil – en morele verantwoordelijkheid zijn eigen gedrag te bepalen. Met uitzondering van kinderen, mentaal gehandicapten en hersenzieken geldt dus: wie zich verbrandt moet op de blaren zitten. Iemand omwille van wangedrag ‘geestesziek’ verklaren en (verplicht) psychiatrisch behandelen

‘prevents him from learning by suffering the consequences of his selfish or unwise actions’

(p. 204).

Op deze wijze maken we van dergelijke nietsnutten een stelletje door de staat betaalde profiteurs en bevestigen we de regel: misdaad en geestesziekte ‘lonen’ altijd. Wellicht denkt u, lezer, dat ik met enige Szasziaanse verve overdrijf door de opvattingen van mijn Amerikaanse collega in dergelijke krasse bewoordingen weer te geven. Goed, dan laat ik u zelf oordelen over het volgende lijstje citaten dat ik slechts uit een zestal pagina’s heb geplukt:

Crime is easier than calculus. Schizophrenia is also easier than calculus (
p. 142).

(…) similarities between the antiproductive mentality of the chronic mental patient and the anticapitalist mentality of the socialist/communist (
p. 145).

Schizophrenia refers to a young person’s idleness, not his illness (
p. 146).

(…) we define the young person unable to make the transition from uselessness to usefulness as schizophrenic; the old person, unable to make the return trip, as depressed (
p. 148).

Het Szasz–recept

In de wereld van Szasz is het leven simpel: er is rijk en arm, gezond en ziek, zelfstandig en afhankelijk, produktief en parasitair. Waar het op aankomt is een keus te maken en het enige dat je hiertoe nodig hebt is een stel volwassen hersenen. Met eenzelfde simplificerend gemak spreekt hij van ‘de’ psychiatrie, ‘de’ geestesziekte, ‘de’ behandeling, ‘de’ medicijnen, ‘de’ kliniek en, gelukkig voor ons, ‘de’ Verenigde Staten van Amerika. Het is deze schromelijk veralgemenende/vereenvoudigde categorisering/etikettering die me in toenemende mate ergerde naarmate ik verder las in
Cruel compassion.

Geleidelijkaan wordt het ook duidelijker dat de auteur doelbewust de ‘tegenstrever’ in deze ene hoek van de door hem afgebakende boksring plaatst, om dan met zijn beduchte uppercuts een knock–out te scoren. Wie echter goed oplet zal merken dat menig slag regelrecht ‘onder de gordel’ terechtkomt. Zo beticht hij andere auteurs ervan een ‘mélange van metaforen’ (p. 46) en ‘disanalogieën’ (p. 181) te gebruiken, maar Szasz kent in dit opzicht zijns gelijke niet! Met een combinatie van metaforen en analogieën, die veelal gebaseerd zijn op woordspelingen, weet hij compacte boutades te construeren die in vindingrijkheid wedijveren met de ‘one–liners’ van Woody Allen. Tientallen kun je in dit boek oogsten en in een Szasz–thesaurus verzamelen. Sommigen zijn geestig en scherpzinnig.

[
In verband met de scheiding tussen kerk en staat zoals verwezenlijkt door de ‘Founding Fathers’ van de
USA
] Unfortunately, the power the Founders took away from the clerics, their twentieth–century followers handed back to the clercks, the bureaucrats of the Welfare State and of the Therapeutic State (
p. xii).

Only angels are capable of the existential gymnastics of hating the sin but loving the sinner (
p. 7).

In the eighteenth century, some people preferred to lose their liberty rather than their property; today, some people prefer to lose their liberty rather than their pretensions (
p. 36).

The truth is that several of our recent First Ladies [
vrouwen van Amerikaanse presidenten], and would–be First Ladies, have been unable to cope with their lives without alcohol, amphetamines, and Valium. Yet the American Medical Association expects our Last Ladies and Men to cope with their miserable existence without drugs (
p. 97).

Ander Szasziaanse uitspraken zijn in hun brutale grofheid louter provocerend bedoeld, zij het op grond van bedriegelijke kronkelredeneringen en misleidende schijngelijkenissen:

Sexual relations between adults and children are outlawed, as statutory rape; child psychiatry ought to be outlawed, as psychiatric rape (
p. 68).

It is ironic that, to provide secure shelter for themselves, in their
homes, psychiatrists must diagnose the homeless as mentally ill and claim them for psychiatry; whereas to provide secure shelter for themselves, on the
streets, the homeless must avoid psychiatrists and reaffirm their self–ownership (
p. 98).

To save the Vietnamese from the Vietcong, we burned down their villages. To save poor inner–city Americans (mostly blacks and Hispanics) from drugs, we bulldoze their homes (
p. 99).

Verplichte lectuur

Een Amerikaanse psychiater–columnist schreef ooit:

‘Szasz is the kind of author no one reads but everyone knows about’

(citaat in Vatz & Weinberg, 1994, p. 321). Als deze uitspraak ook voor u, lezer, geldt, dan betreur ik dat ten zeerste. Want, hoe schijnbaar tegenstrijdig ook met mijn polemische beschouwing, ik vind dat minstens één boek van Szasz verplichte lectuur zou moeten zijn voor iedereen die professioneel met de geestelijke gezondheidszorg te maken heeft. Persoonlijk zou ik
The myth of mental illness ofwel
Insanity aanbevelen. Het hier besproken
Cruel compassion kon mij slechts in het eerste deel boeien, omwille van enkele verrassende historische invalshoeken. De rest klink teveel déja–lu voor mij. Szasz wil ons met de stormram ‘een geweten schoppen’. Zijn aanpak heeft vandaag geen impact meer; dat is jammer voor de boodschap die even actueel blijft: de ‘goede bedoelingen’ van de hedendaagse psychiatrie/psychotherapie kunnen nog steeds heel wat machtsmisbruik verdoezelen.

Referenties

Szasz, T.S. (1961).
The myth of mental illness: Foundation of a theory of personal conduct. New York: Hoeber–Harper. [Nederlandse vertaling:
Geestesziekte als mythe. Rotterdam: Lemniscaat, 1972.]

Szasz, T.S. (1987).
Insanity: The idea and its consequences . Chichester: John Wiley.

Szasz, T.S. (1994).
Cruel compassion: Psychiatric control of society’s unwanted. Chichester: John Wiley.

Vatz, R.E., & Weinberg, L.S. (1994). The rhetorical paradigm in psychiatric history: Thomas Szasz and the myth of mental illness. In: M.S. Micale & R. Porter (red.),
Discovering the history of psychiatry (pp. 311–330). Oxford: Oxford University Press.

Pictogram

DT-14-3-285.pdf 553.45 KB 145 downloads

Rambo Szasz en de windmolens in psychiatrieland ...