Jaargang 13 (1993)
Nummer: 4
Artikel: 391

Pictogram

DT-13-4-391.pdf 538.81 KB 89 downloads

Reactie op ‘Eye movement desensitization’ van Harald Merckelbach ...

In zijn commentaar op het artikel van
De Jongh en Ten Broeke (1993) probeert Merckelbach een bij de leertheorie aansluitende verklaring te geven voor de opzienbarende resultaten van
EMD, die vermeld worden in een aantal gevalsbeschrijvingen. Hij heeft er begrip voor dat er nog geen gecontroleerde studies gepubliceerd zijn, gezien het nog korte leven van
EMD, maar hekelt de, wat hij noemt, crypto–neurologische verklaringen die de voorstanders van
EMD geven. (Overigens heeft Shapiro [1989] wel degelijk een gecontroleerd onderzoek uitgevoerd, maar methodologisch zitten daar een aantal haken en ogen aan [Lohr et al., 1992]).

Merckelbach veronderstelt dat het bij
EMD wel eens zou kunnen gaan om een optimaal evenwicht tussen exposure en afleiding, waardoor subtiele vermijdingsresponsen die tijdens exposure kunnen optreden, hun effectiviteit verliezen. Hij wijst erop dat de laterale oogbewegingen van
EMD kunnen interfereren met de oogbewegingen die nodig zijn om een imaginair (bijvoorbeeld traumatisch) beeld op te bouwen, waardoor het de patiënt niet lukt het beeld van de traumatische gebeurtenis goed vast te houden. Hij spreekt in dit opzicht van ‘een handige oscillatie tussen exposure en gecontroleerde afleiding’.

Men zou zich kunnen afvragen of Merckelbach er in zijn commentaar toch niet te veel van uitgaat dat de genoemde positieve effecten van
EMD als een gegeven kunnen worden beschouwd, nu er een aantal ‘bemoedigende case–studies’ zijn verschenen en dat het er nu om gaat een verklaring te geven voor dit fenomeen.

Het is uiteraard nog maar zeer de vraag of
EMD werkt. Gecontroleerde onderzoeken zullen deze vraag eerst moeten beantwoorden en er zal voor gewaakt moeten worden, verklaringen te geven voor een verschijnsel dat mogelijk slechts door een enkeling is waargenomen zoals de geschiedenis van de parapsychologie ons leert. Als we er dan toch van uitgaan dat we dit stadium achter ons hebben en ons bezig kunnen houden met theoretische verklaringen, dan doen de genoemde neurologische verklaringen mogelijk inderdaad wat vreemd aan. Aan de andere kant is de gedachte dat oogbewegingen een relatie met het functioneren van de hersenen kunnen hebben niet nieuw. Het verband tussen de ogen en visuele mechanismen en de produktie van alphagolven in de visuele gebieden van de hersenen is bijvoorbeeld eerder waargenomen bij biofeedback–onderzoeken (Green 1971; Nideffer 1973).

Het is de vraag of een vervanging van neurologisch aandoende begrippen door leertheoretische, ons in dit stadium veel verder brengt. Hoe plausibel de verklaring van Merckelbach (exposure en gecontroleerde afleiding) op het eerste gezicht ook mag zijn, ze verklaart niet hoe het komt dat
EMD vaak in slechts een enkele sessie positieve resultaten geeft, die, volgens sommigen, ten minste nog enkele maanden blijven. Bestaande exposure–technieken vragen, voor zover bekend, doorgaans meer tijd om tot een bevredigend resultaat te komen.

De interferentie van de laterale oogbewegingen met het traumatische beeld vindt alleen plaats tijdens toepassing van de
EMD–techniek. Hoe komt het dat na de sessie het verminderde vermogen om het traumatische beeld op te roepen blijft bestaan? Hoe verklaart Merckelbach het vermelde feit dat flashbacks blijvend gereduceerd worden in zowel frequentie als emotionele intensiteit, na een exposure van slechts enkele minuten? Voor uitdoving van angst zijn toch normaliter meerdere trials nodig? Onduidelijk blijft ook hoe een exposure van enkele minuten samen met afleiding de kennelijk vaak onmiddellijk optredende cognitieve veranderingen bewerkstelligt.

Vooralsnog lijkt het van belang eerst de werkzaamheid van
EMD aan te tonen door middel van gecontroleerd onderzoek. In ons instituut is een dergelijk onderzoek inmiddels in gang gezet. Daarna zullen we niet alleen voor crypto–neurologische maar ook voor crypto–psychologische verklaringen moeten waken!

Kees van Wijk

Psycholoog/psychotherapeut bij het Psychiatrisch Centrum Joris Nieuwe Waterweg Noord

Referenties

Green, E. (1971). Biofeedback for mind–body self regulation: Healing and creativity. In: D. Shapiro et al. (red.),
Biofeedback and self control, Chicago: Aldine.

Jongh, A. de & Broeke, E. ten (1993). Een nieuwe behandelingsmethode voor angst en trauma’s: Eye movement desensitization and reprocessing:
Dth, 13, 2, 161–170.

Lohr, J. M. & Kleinknecht, R. A. et al. (1992). A methodological critique of the current status of eye movement desensitiuzation (
EMD).
Journal of Behavioral Therapy & Experimental psychiatry, 23, 3, 159–167.

Nideffer, R. M. (1973). Alpha and the development of human potential. In: D. Shapiro et al. (red).,
Biofeedback and self control, Chicago: Aldine.

Shapiro, F. (1989). Efficacy of the eye movement desensitization procedure in the treatment of traumatic memories.
Journal of Traumatic Stress, 2, 199–223.

Pictogram

DT-13-4-391.pdf 538.81 KB 89 downloads

Reactie op ‘Eye movement desensitization’ van Harald Merckelbach ...