Jaargang 33 (2013)
Nummer: 3
Artikel: 15

Verstandelijke beperking en verslaafd. Een hele klus of is er inmiddels genoeg evidence ontwikkeld om deze doelgroep te helpen? De auteurs nemen in de inleiding een voorschot op belangrijke conclusies van dit boek: het reguliere behandelaanbod moet zich aanpassen aan specifieke eisen die de behandeling aan deze groep stelt en instellingen moeten bereid zijn om hierbij samen te werken. Ze doen dit nadat ze uitgebreid en goed onderbouwd beschreven hebben waar mensen met een verstandelijke beperking tegen aanlopen en hoe een verslaving van invloed kan zijn op hun leven.

In het eerste deel van het boek wordt de lezer meegenomen in een verkenning van het onderwerp licht verstandelijke beperking (LVB) en verslaving. Zowel het intellectuele vermogen (tussen 55-70) als het adaptieve gedrag of aanpassingsvermogen zijn bepalend voor de mate waarin iemand met een LVB mee weet te komen in de samenleving. Voor mensen met een licht verstandelijke beperking is het verbaal kortetermijngeheugen doorgaans zwakker dan het visueel kortetermijngeheugen, is het onderscheid maken tussen hoofd- en bijzaken lastig, wordt gedrag sneller gestuurd door impulsen en is het doorzien van oorzaak-gevolgrelaties erg moeilijk. In het dagelijks leven is iemand hierdoor kwetsbaarder voor psychiatrische aandoeningen. Hierna gaan de auteurs in op de gevolgen van verslaving, nadat ze eerst uitleg hebben gegeven over de middelen en de effecten van gebruik in het algemeen. De titel van het boek refereert aan het feit dat iemand met een LVB het probleem van gebruik onderschat. Het ingewikkelde samenspel tussen biologische, psychologische en sociaal-maatschappelijke factoren is voor deze groep nog complexer omdat hun brein kwetsbaarder is en een kleine hoeveelheid drugs al snel een groter (schadelijk) effect heeft. Zeker wanneer er ook nog eens een verhoogde kans op multigebruik is. Het eerste deel sluit af met een uitleg waarom stoppen met gebruik vaak niet lukt, aan de hand van de bekende stadia van veranderen zoals deze door Prochaska, DiClemente en Norcross (1992) beschreven zijn.

Hierna wordt het onderkennen van gebruik en het analyseren ervan uitgelegd. Veranderingen op gebied van lichamelijke gezondheid, gedragsproblemen en sociale gevolgen zoals verminderen van prestaties, verlies van vrienden en politiecontacten worden beschreven als belangrijke indicatoren die wijzen op gebruik van middelen. De analyse van gebruik is vergelijkbaar met wat er in de reguliere hulp gebeurt: de voor- en nadelen van het gebruik beschrijven (onder andere aan de hand van de G-schema’s) met behulp van een visueel hulpmiddel, de sumid-q, het gebruik in kaart brengen, bijkomende problemen inventariseren en daarnaast kijken naar de competenties en de beschermende factoren.

De behandeling, de behandelmethoden en instellingen die de hulp bieden, komen aan bod, waarbij het gehele palet van bemoeizorg tot intensieve klinische hulp voorbijkomt. Het is duidelijk dat in alle geledingen van de zorg mensen met een LVB voorkomen en dat de behandeling vooral rekening moet houden met de beperkingen. Vaker herhalen, meer visualiseren, duidelijke structuur bieden, uitleg geven op eigen niveau en rekening houden met verhoogde kwetsbaarheid door gebruik.

Ook wanneer het boek eindigt met enkele hoofdstukken over beleid en preventie, komen er geen verrassende konijnen uit de hoed. Beïnvloeding van omgevingsfactoren, voorlichting, regelgeving en handhaving, vroegsignalering, afstemmen van zorgaanbod en samenwerking dienen in integraal verband ontwikkeld te worden, wil het effect hebben. Maar dat is ook voor de reguliere hulp aan andere groepen het geval. Waarmee de evidentie van dit boek wordt geschetst: een degelijk boek waarin belangrijke informatie over mensen met een LVB en verslaving goed op een rij wordt gezet, waardoor hulpverleners en beleidsmakers op dit terrein goed geïnformeerd worden wat er op dit terrein mogelijk is. Theorie en praktijk wisselen elkaar af en versterken elkaar op prettige wijze. De lezer wordt hierdoor aan de hand meegenomen. Samenvattingen aan het eind van ieder hoofdstuk maken duidelijk waar het de auteurs om te doen is. Door regelmatig casuïstiek te bespreken krijgt de lezer handvatten aangeboden voor het handelen in de praktijk. Het geeft de hulpverlener tegelijkertijd de mogelijkheid zich een oordeel te vellen over de manier waarop de problemen aangepakt kunnen worden en wat zijn rol hierin is. De vele casuïstiek die beschreven wordt, laat precies zien waar de valkuilen voor de hulpverlening liggen en op welke wijze reguliere kennis aangepast dient te worden voor de groep met een LVB.

Referentie

Prochaska, J.O., DiClemente, C.C. & Norcross, J.C. (1992). In search of how people change. American Psychologist, 47, 1102-1114.