Jaargang 33 (2013)
Nummer: 1
Artikel: 10

‘Dit boek kan enkel een mislukking worden,’ schrijft Rober in zijn inleiding van Gezinstherapie in praktijk. Hij wil concepten als ‘proces’ uitleggen, maar het proces is volgens hem niet te vatten in woorden. ‘Woorden zetten immers de tijd stil en bevriezen het moment om het te kunnen grijpen. Maar het moment is daardoor alweer verdwenen.’ Blijkbaar was de praktijk ook moeilijk te vatten in woorden, want het boek bestaat naast praktische wenken grotendeels uit theorie. Soms lijkt zijn betoog meer filosofie, of zelfs een pamflet tegen de marktwerking in de ggz. Deze verschillende benaderingen van de gezinstherapie komen de samenhang van het boek niet ten goede. Rober lijkt steeds iets anders te willen. Zo probeert hij een antwoord te vinden op de vraag: ‘Tot welke toekomst willen we behoren?’ Voor de auteur is dat een toekomst van psychotherapie waarin niet de stoornis of het protocol, maar de ontmoeting centraal staat. En dat is niet de door de auteur zo verfoeide psychotherapie van tegenwoordig die vooral een economisch product is waarin kostenefficiëntie en productie tot hoge doelen zijn verheven.

Een ander streven van Rober is om de praktijk van de gezinstherapie neer te zetten als een ontmoeting waaruit een ‘proces in context’ ontstaat. Op deze begrippen heeft hij de drie delen van het boek gebaseerd. Het eerste deel, Ontmoeting, gaat over de ontmoeting van gezinsleden met de therapeut. In vier hoofdstukken komen de eerste sessie, gezinstherapie als dialoog en therapeutische interventies aan bod. Daarnaast wijdt Rober een hoofdstuk aan wat volgens wetenschappelijk onderzoek werkzame factoren zijn in een klinische behandeling. In het tweede deel, Proces, laat de auteur met de twee hoofdstukken Het innerlijke gesprek van de therapeut, en De beleving van de therapeut als therapeutisch instrument, zien wat er bij de therapeut gebeurt tijdens het gesprek, wat hem of haar raakt en hoe de therapeut dat kan inzetten in de behandeling. In het laatste deel van het boek, Context, staat de historisch-culturele context van het therapeutische proces centraal. Het bestaat uit vier hoofdstukken, met tamelijk uiteenlopende onderwerpen. Eerst komt therapeutisering van de samenleving (de oeverloze fascinatie voor emotionele ontwikkeling, zelfreflectie en zelfactualisatie) aan de orde; dan de ‘koloniserende positie’ waarin therapeuten terecht kunnen komen wanneer ze te veel vasthouden aan hun rol van normaliserende probleemoplossers en onvoldoende aansluiten bij de krachten van de cliënten; vervolgens wordt interculturele gezinstherapie (over het omgaan met gelijkheid en verschil) besproken; en een hoofdstuk over psychotherapie en marktdenken sluit het boek af.

Stap voor stap

Naast de bovengenoemde ambities die Rober voor zijn boek heeft, noemt hij in het deel Ontmoeting ook praktischere doelen. Zo wil hij heel concreet een aantal technieken en werkwijzen beschrijven als een soort protocol: stap voor stap, om zo zijn ervaring als gezinstherapeut over te dragen. Wie nu denkt aan de hand van casussen van de meester te mogen leren, wordt aanvankelijk in het hoofdstuk De eerste sessie op zijn wenken bediend met becommentarieerde fragmenten uit een eerste gesprek. De casus van het gezin Cox begint in de wachtkamer waar een moeder en haar twee kinderen van 9 en 12 worden opgehaald. Aan de hand van het gesprek wordt de aanpak van een eerste sessie besproken met noodzakelijke ingrediënten als ‘iedereen een stem geven’ en ‘de aarzeling van gezinsleden om in therapie te komen’. Ten slotte beschrijft Rober hoe een eerste zitting wordt afgerond, met samenvatten, het samenwerkingscontract expliciteren en soms een opdracht geven. Na dit stuk theorie sloeg ik gretig de bladzijde om, om te vernemen hoe dit afronden er praktisch uitziet in deze casus. Maar het gezin Cox blijkt uit het boek vertrokken en komt niet meer terug.

En daarmee dwaalt Rober al snel af van het stap voor stap beschrijven van zijn werkwijzen. Misschien doet hij dit omdat hij eigenlijk, zoals hij eerder al schrijft, niet zoveel nut ziet in therapeutische protocollen. Tenzij ze worden gebruikt ‘door warme en sensitieve therapeuten die beseffen dat therapie in de eerste plaats gaat over de therapeutische relatie en wat die relatie mogelijk maakt in het gezin’. Hij is bang dat sommige therapeuten er te veel belang aan hechten en zinnetjes gaan gebruiken die op dat moment niet passen, een wat mij betreft terechte angst. Eén van de weinige zinnen die je volgens Rober bijna altijd kunt gebruiken is: ‘Kun je mij daar meer over vertellen?’ Verder is het volgens hem zaak aan te sluiten bij het gezin en het moment, en niet bij de leermeester.

Homo dialogicus

Na de ontmoeting met het gezin Cox wordt het beschrijven van de werkwijzen vooral theoretisch. Rober snijdt hier een thema aan dat in de rest van het boek de rode draad blijft: de dialoog. Het lijkt voor hem het hoogst bereikbare ideaal in de therapie. Maar wat is dan die dialoog? Het is een complex begrip, bijna net zo lastig te omschrijven als ‘proces’. Want niet alleen is de dialoog alles, maar ook ‘alles is dialoog’. De therapeut luistert naar alles wat wordt gezegd en ook naar wat niet wordt gezegd. De mens wordt gezien als ‘homo dialogicus’, iemand die samen met anderen zin probeert te geven aan het leven en zijn best doet een zinvol leven te leiden samen met de mensen die hij lief heeft. Door gezinstherapie te beschouwen als een dialoog, lijkt Rober de lat voor de therapeut wat laag te leggen. De nadruk ligt volgens hem niet op het verzamelen van informatie of de analyse van het probleem. De therapeut zou eerder een actieve, responsieve luisteraar zijn. Kennis verzamelen legt volgens hem het dynamisch dialogisch proces lam. ‘In zekere zin is leven de belangrijkste bekommernis van de therapeut in de sessie,’ betoogt Rober, waarmee de behandelaar zich wel erg wegcijfert.

Hoewel aan de oppervlakte een bescheiden rol voor de therapeut lijkt weggelegd, borrelt en bruist het van binnen tijdens een gezinsgesprek, zo is te lezen in Proces. Hoe gaat de therapeut om met de emoties die hij kan ervaren in de sessies? Rober benadrukt de noodzaak om te reflecteren op de eigen beleving in de sessie. Dit lijkt misschien een open deur, maar juist in deze tijd van marktwerking in de zorg en targets die moeten worden gehaald, slaat hij de spijker op de kop. Reflectie lijkt er als eerste bij in te schieten wanneer dossiers moeten worden bijgewerkt en de volgende cliënt alweer in de wachtkamer zit. Hier komt hij ook op terug in het laatste deel, Context, over de tijdgeest waarin de gezinstherapeut probeert zijn werk te doen. De therapeut blijft verweesd achter na fuseringsgolven en efficiencyslagen, waardoor de hulpverleningsrelatie ondergeschikt is geworden aan de grote, trage en onpersoonlijke organisatie met lange wachttijden en ondoorzichtige procedures. En zo is de cirkel rond en komen we weer terecht bij de aanklacht uit de voorbeschouwing van het boek tegen protocollering en therapie als lopendebandwerk. Daarmee geeft Rober nog eens antwoord op zijn vraag wat voor toekomst hij graag zou zien voor de geestelijke gezondheidszorg. De organisatie, managers en de overheid zouden ten dienste moeten staan van een cultuur waarin cliënt en professional binnen een veilige menselijke relatie op zoek gaan naar een beter leven voor de cliënt.

Poëtisch

Gezinstherapie in praktijk geeft minder concrete en praktische aanwijzingen dan de schrijver in het begin van zijn boek aankondigt. Maar het zet wel aan tot nadenken over een terugkeer naar de basis van gezinstherapie, volgens Rober de dialoog, een ontmoeting van levende personen. Doordat Rober weinig voorschrijft maar eerder suggesties doet, vragen stelt, maar de antwoorden vaak openlaat, gaat de theorie soms de kant op van een filosofische verhandeling. Hij doet dit alles op een bloemrijke, soms bijna poëtische manier, zoals wanneer hij een gesprek tussen gezinsleden vergelijkt met een dans: ‘Er is de uitnodiging om te dansen, de andere heeft de uitnodiging geaccepteerd, en dan is er de dans waarbij de deelnemers zich zonder woorden oriënteren naar elkaar, samen in een interactiestroom met elkaar.’

De belangrijkste interventies die worden besproken lijken vooral nuttig voor beginnende behandelaren. De wat meer theoretische en filosofische delen kunnen ervaren therapeuten inspireren om stil te staan bij hun rol en houding in gezinsgesprekken. Maatschappijcritici komen ook aan hun trekken. Wat mij betreft zijn dat te veel doelgroepen om de samenhang in het boek te bewaren en te veel kanten van de gezinstherapie om de titel waar te maken. Een mislukking? Nee. Maar misschien had Rober zijn boek beter alleen Gezinstherapie kunnen noemen.