Jaargang 29 (2009)
Nummer: 2
Artikel: 127

Samenvatting

Een actieve copingstijl hangt samen met een betere gezondheid. Daarnaast suggereert eerder onderzoek dat cliënten met een actieve copingstijl betere therapieresultaten behalen dan cliënten met een passieve copingstijl. In deze studie is onderzocht of cliënten met een passieve copingstijl sneller uitvallen en minder van therapie profiteren dan cliënten met een actieve copingstijl, wanneer zij allemaal dezelfde, actieve behandeling krijgen. Het bleek dat cliënten met een passieve copingstijl niet sneller uitvallen dan en evenveel profiteren van protocollaire, groepsgewijze cognitieve gedragstherapie als cliënten met een actieve copingstijl. Wel bleken cliënten met een passieve copingstijl gedurende de hele behandeling meer klachten te hebben dan cliënten met een actieve copingstijl, wat impliceert dat een actieve coping gezonder is dan een passieve coping. Uit ons onderzoek blijkt dat beide cliëntengroepen in gelijke mate profiteren van een actieve protocollaire behandeling.

Summary

An active coping style correlates with better health outcomes. Previous research also suggests that clients with active coping skills perform better in therapy than clients with passive coping skills. We investigated whether clients with a relative passive coping style benefitted less from therapy and had a higher drop-out rate than clients with a relative active coping style. This did not seem to be the case. Clients with relatively passive coping skills did not show a higher drop-out rate and did not benefit less from an active standardized therapy than relatively active clients. Clients with passive coping skills experienced more symptoms than clients with active coping skills, which indicates that an active coping style is healthier than passive coping. To conclude, patients with active and passive coping skills both benefit just as much from an active, standardized, cognitive-behavioural therapy.

Referenties

Arrindell., W.A. & Ettema, J.H.M. (2003). SCL-90. Symptom Checklist. Handleiding bij een multidimensionele psychopathologie-indicator. Lisse: Swets Test Publishers.

Baekeland, F., & Lundwall, L. (1975). Dropping out of treatment: A critical review. Psychological Bulletin, 82, 738-783.

Bögels, S.M. & Van Oppen, P. (1999). Cognitieve therapie: Theorie en praktijk. Houten/Diegem: Bohn Stafleu van Loghum.

Burns, D.D., & Nolen-Hoeksema, S. (1991). Coping styles, homework compliance, and the effectiveness of cognitive-behavioral therapy. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 59, 305-311.

Bryant, M.J., Simons, A.D., & Thase, M.E. (1999). Therapist skill and patient variables in homework compliance: Controlling an uncontrolled variable in cognitive therapy outcome research. Cognitive Therapy and Research, 23, 381- 399.

Garfield, S.L. (1986). Research on cliënt variables in psychotherapy. In: S.L. Garfield & A.E. Bergin (Eds.), Handbook of psychotherapy and behavior change (4 th ed., pp. 190-228). New York: Wiley.

Gunthert, K.C., Cohen, L.H., Butler, A.C., & Beck, J.S. (2005). Predictive role of daily coping and affective reactivity in cognitive therapy outcome: Application of a daily process design to psychotherapy research. Behavior Therapy, 36, 77-88.

Keijsers, G.P.J., Minnen, A. van, & Hoogduin, C.A.L. (Eds.) (2004a). Protocollaire behandelingen in de ambulante geestelijke gezondheidszorg. Deel 1 (2 e herziene druk). Houten: Bohn Stafleu van Loghum.

Keijsers, G.P.J., Minnen, A. van, & Hoogduin, C.A.L. (Eds.) (2004b). Protocollaire behandelingen in de ambulante geestelijke gezondheidszorg. Deel 2 (2 e herziene druk). Houten: Bohn Stafleu van Loghum.

Kloens, G.J., Barelds, D.P.H., Luteijn, F., & Schaap, C.P.D.R. (2005). Psychometrische eigenschappen van enige vragenlijsten in de eerste lijn. (Verkrijgbaar via www.ichthusgroep.nl/images/pdf/Psychometrische%20eigenschappen%20van%20enige%20vragenlijsten%20in%20de%20eerstelijn..pdf).

Lewinsohn, P.M. & Cuijpers, P. (1995). In de put, uit de put. Zelf depressiviteit overwinnen. Baarn. Uitgeverij Intro.

Minnix, J.A., Reitzel, L.R., Repper, K.A., Burns, A.B., Williams, F., Lima, E.N., Cukrowicz, K.C., Kirsch, L., & Joiner, E. (2005). Total number of MMPI-2 clinical scale elevations predicts premature termination after controlling for intake symptom severity and personality disorder diagnosis. Personality and Individual Differences, 38, 1745-1755.

Penley, J.A., Tomaka, J., & Wiebe, J.S. (2002). The association of coping to physical and psychological health outcomes: A meta-analytic review. Journal of Behavioural Medicine, 25, 551-603.

Schreurs, P.J.G, Willige, G. van de, Brosschot, J.F., Tellegen, B., & Graus, G.M.H. (1993). Herziene handleiding UCL. Lisse: Swets & Zeitlinger.

Sherman, R.T., & Anderson, C.A. (1987). Decreasing premature termination from psychotherapy. Journal of Social and Clinical Psychology, 5, 298-312.

Simons A.D., Lustman P.J., Wetzel R.D., & Murphy G.E. (1985). Predicting response to cognitive therapy of depression: the role of learned resourcefulness. Cognitive Therapy and Research, 9, 79-89.

Weert-Van Oene, G. de, Schnabel, P., & Schrijvers, G. (1998). Drop-out in de verslavingszorg. Maandblad Geestelijke Volksgezondheid, 53, 388-402.

Whisman, M. (1993). Mediators and moderators of change in cognitive therapy of depression. Psychological Bulletin, 114, 248-265.

Wierzbicki, M. & Pekarik, G. (1993). A meta-analysis of psychotherapy drop-out. Professional Psychology: Research and Practice, 24, 190-195.