Jaargang 15 (1995)
Nummer: 2
Artikel: 138

Samenvatting

Het antwoord op de vraag of een therapeut als deskundige voor de strafrechter kan vaststellen of een cliënt seksueel misbruikt is, luidt: ‘nee’; evenmin kan de therapeut als deskundige vaststellen wie de eventuele dader van seksueel misbruik is. Uitspraken van wetenschappelijk ‘deskundigen’ behoren niet te berusten op een ‘klinische blik’, maar zij dienen betrouwbaar, valide en controleerbaar te zijn. Beantwoorden de uitspraken van de deskundigen niet aan deze elementaire wetenschappelijke normen, dan geven zij hun persoonlijke opinie weer, en die persoonlijke opinie behoort niet tot het domein van hun wetenschappelijke deskundigheid. Het is tot nu toe niet mogelijk gebleken deskundigen uitspraken over het wel of niet plaatsgevonden hebben van seksueel misbruik te ontlokken die wetenschappelijk te verantwoorden zijn.

Het is mij niet bekend of uw vereniging een wetenschappelijke vereniging is, of meer een beroepsvereniging. Uit de inhoud van het programma van deze bijeenkomst, en de kwaliteiten van de uitgenodigde sprekers, maak ik echter op dat u tracht uw werk als gedragstherapeuten zoveel mogelijk te stoelen op wetenschappelijke principes, en te toetsen aan wetenschappelijke criteria. Ik ga er daarom in het vervolg van mijn voordracht van uit dat gedragstherapie een toepassingsvorm is van een wetenschappelijke discipline, en dat u als uitvoerders met de daaruit volgende maten gemeten wilt worden.

Het onderwerp waarover de organisatoren van dit symposium mij wilden horen is de vraag of de therapeut ten behoeve van de strafrechter kan vaststellen of een cliënt het slachtoffer is geworden van seksueel misbruik, en wie dan wel de dader is. Mijn antwoord, zoals al blijkt uit de titel van deze voordracht is ‘nee’. Dat kan de therapeut niet, en derhalve moet de therapeut het ook niet doen.

Het probleem is niet van belang ontbloot, want in de praktijk van de rechtszaal beantwoorden therapeuten deze vragen wel, en wordt door de rechter ook met hun stellige verklaringen rekening gehouden, blijkens de bewijsmotivering in de daaropvolgende rechterlijke uitspraken. Pendergrast laat in zijn boek Victims of memory zien dat in de Verenigde Staten ongeveer een vijfde van de kwart miljoen bevoegde therapeuten bereid is om cliënten te helpen zich bewust te worden van vroeger seksueel misbruik dat cliënt zich niet herinnert, maar dat op grond van symptomalogie door de therapeut niettemin is vastgesteld. Ik zie af van de vraag of een dergelijke procedure therapeutisch verantwoord is, omdat ik daarvan geen verstand heb. Ik houd me slechts bezig met de vraag of zulke in het kader van een behandeling opgeroepen uitspraken van een cliënt een waarheidsgehalte hebben dat goed beoordeelbaar is door de therapeut, en uitsluitend door de therapeut.

De goede beoordeelbaarheid door de therapeut is van belang wanneer de therapeut daarover in het kader van een rechtsgeding uitspraken doet. De exclusiviteit is van belang omdat er geen behoefte is aan een deskundige–verklaring, wanneer de rechter ook zelf de beoordeling zou kunnen maken. Het blinde vertrouwen dat de rechter blijkens vele bewijsmotiveringen aan het oordeel van therapeuten hecht, illustreert dat de rechter aanvaardt dat therapeuten het waarheidsgehalte van de verklaringen van hun cliënten kunnen vaststellen op een wijze die de rechter niet ook zelf kan toepassen.

Artikel 343 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt: ‘Onder de verklaring van een deskundige wordt verstaan zijn bij het onderzoek op de terechtzitting medegedeeld gevoelen betreffende hetgeen zijn wetenschap hem leert omtrent datgene wat aan zijn oordeel onderworpen is’. Dit is een vrij mistige bepaling, omdat niet bij voorbaat duidelijk is wat de verschillende termen betekenen. Laat ik aan het eind beginnen: ‘wat aan zijn oordeel onderworpen is’ betekent meestal: waarover de rechter een vraag heeft gesteld. De rechter bepaalt dus wat aan het oordeel van de deskundige wordt onderworpen. Daarbij kan de rechter grote vergissingen maken, omdat hij gemakkelijk een vraag zou kunnen stellen die door de deskundige niet beantwoord kan worden. Zo hebben rechters mij bij herhaling gevraagd of de verdachte schuldig is. De deskundige is mijns inziens verplicht om in zo’n geval de rechter erop te wijzen dat de vraag buiten het gebied van zijn deskundigheid valt. Het eerste gedeelte is veel raadselachtiger: de verklaring bevat een ‘medegedeeld gevoelen’. Deze term contrasteert met wat er over getuigen wordt gezegd; die moeten zich volgens Artikel 342, lid 1 van hetzelfde Wetboek van Strafvordering, beperken tot ‘mededeling van feiten en omstandigheden, welke hij zelf waargenomen of ondervonden heeft’. Het Angelsaksische recht heeft het over opinies, die de deskundige wel mag uiten, maar de getuige niet. Hier lijkt dus de poort geopend te worden voor onverantwoorde speculatie, pretentievolle fantasie of zelfs grenzeloze charlatannerie. De wet heeft echter wel een grens ingebouwd; de deskundige mag slechts getuigen van een gevoelen ‘betreffende wat zijn wetenschap hem leert’. Deze formulering vormt eigenlijk de kern van mijn betoog.

Het is evident dat de wetgever met ‘wetenschap’ niet heeft bedoeld de deskundigheid te beperken tot diegenen die een wetenschappelijke opleiding hebben gevolgd, en tot die gebieden die worden onderwezen aan instellingen van wetenschappelijk onderwijs. Een sociaal werkende kan deskundig zijn op het gebied van de reclassering, een timmerman kan deskundig zijn op het gebied van deursloten. De rechter bepaalt zelf wie hij deskundig acht op het gebied waarover hij een vraag wil stellen. Daarbij hoeft de rechter zich aan geen enkele regel te houden; noch hoeft hij zich achteraf te verantwoorden voor de aanvaarding of verwerping van deskundigen. Juridisch kan er dus geen enkel probleem zijn wanneer de rechter kennis neemt van het gevoelen van een therapeut over de identiteit van de persoon die een aangeefster misbruikt zou hebben. Mits! Mits de deskundige zich maar beperkt tot ‘wat zijn wetenschap hem leert’. Dat moet de rechter dus wel vaststellen, en mijns inziens kan dat maar op één manier gebeuren: door aan de deskundige te vragen op welke gronden hij tot zijn gevoelen is gekomen. De rechter moet dan vervolgens beoordelen of dat aanvaardbare gronden zijn. Ook hiervoor bestaat echter geen enkele richtlijn. Wanneer de deskundige verklaart dat hij ‘snachts in zijn droom werd bezocht door Sigmund Freud, die hem vertelde wie de dader was, zou de aanvaarding van die wetenschapsgrond niet op een juridisch bezwaar stuiten. Zover komt het natuurlijk nooit, maar vooral doordat rechters eigenlijk nooit vragen op welke gronden de deskundige tot een uitspraak komt. Als ze dat wel deden, zouden zij nog wel eens kunnen schrikken.

Het lijkt erop alsof ik de verantwoordelijkheid voor de beperking van de deskundigeverklaring uitsluitend bij de rechter leg. Dat doe ik echter niet: ook de deskundigen zijn er verantwoordelijk voor dat zij niet buiten hun boekje gaan. De wet doet zelfs in het geheel geen uitspraak over waar de veranwoordelijkheid ligt. De verklaring van een deskundige kan alleen als bewijs dienen voor zover die berust op wat de deskundige op grond van zijn wetenschap heeft geleerd. Het overige mag niet als bewijs gelden, en de rechter moet daarop toezien. Maar de deskundige moet een eed of belofte afleggen, waarin wordt verklaard dat hij zijn taak naar behoren zal vervullen. Die belofte moet welhaast inhouden dat de deskundige niets zal verklaren buiten wat zijn wetenschap hem leert. Door die belofte heeft de deskundige ook een eigen verantwoordelijkheid.

Hoe kan een deskundige vaststellen wat hij wel of niet op grond van zijn wetenschap kan verklaren? In Nederland bestaat daarvoor geen regel. De rechter stelt van geval tot geval, naar bevind van zaken, vast of de deskundige buiten zijn boekje gaat. Dat kan natuurlijk helemaal niet, want het veronderstelt dat de rechter ook bevoegd is op het gebied van de deskundige. Aangezien juist het gebrek aan kennis op het betreffende gebied de reden was om de hulp van een deskundige in te roepen, wringt hier iets. In de Verenigde Staten heeft men dit probleem aanvankelijk opgelost met behulp van de zogeheten Frye–test Voor een nadere discussie over de Frye– en Dyas–test, zie Crombag et al. (1992), Dubieuze zaken. Amsterdam: Contact. genoemd naar de verdachte Frye, in wiens zaak de test voor het eerst werd toegepast: ‘(…) het feit op grond waarvan een deductie wordt gemaakt moet in voldoende mate zijn vastgesteld, en wel zodanig dat het algemeen aanvaard is in het betreffende vakgebied.’ De deskundige moet dus kunnen verwijzen naar een algemeen aanvaard feit, en de rechter kan aan de deskundige vragen om aan te tonen dat het feit algemeen aanvaard is. Bij wijze van spreken zou de deskundige in staat moeten zijn te verwijzen naar het tekstboek waarin het betreffende feit of principe is gedocumenteerd. Deze regel leidde tot een conservatieve praktijk, omdat het soms nogal lang duurt voordat een wetenschappelijke ontdekking in de tekstboeken doordringt. Daarom is in de zaak Dyas vervolgens het ‘Dyas–principe’ ingevoerd: de deskundige moet kunnen aantonen dat de methode van onderzoek die tot het gezichtspunt leidde onder vakgenoten als adequaat erkend is. Het inzicht mag dus wel nieuw zijn, maar het moet met behulp van erkende methoden zijn verkregen. Een bezoek van professor Freud in de droom zou op die grond verworpen moeten worden. In Nederland geldt niet zoiets als de Frye– of Dyas–test, maar dat betekent alleen maar dat niet vaststaat hoe getoetst wordt of de deskundige niet buiten zijn boekje gaat. De wet zegt duidelijk genoeg dat de deskundige niet buiten zijn boekje mag gaan.

De bedoeling van de Frye– en Dyas–test is natuurlijk om kwaliteit te waarborgen. De aanvaarding in brede kring van vakgenoten levert die garantie, omdat de vakgenoten geacht worden niet zo dom te zijn dat ze volslagen onzin voor zoete koek aannemen. Overigens staat dit niet geheel vast, omdat niet duidelijk is hoe je de kring van vakgenoten moet definiëren. Als je een deskundige op het gebied van de astrologie benoemt, zal het niet moeilijk vallen een grote groep vakgenoten te vinden die het met de deskundige eens zijn. De rechter zou zich daartegen kunnen verweren door het hele vak tot non–vak te verklaren. En inderdaad, in de staat Arkansas is de gehele psychologie tot non–science verklaard, in een proces waarin psychologen met steun van de APA aantoonden dat selectie van juryleden die voor de doodstraf zijn, leidt tot een oneerlijke beoordeling van de schuldvraag. Wanneer echter een discipline door de rechter erkend wordt, zijn daarmee ook meteen de normen waaraan een specifieke deskundige wordt getoetst gegeven. Wanneer een deskundige zich opwerpt als een wetenschappelijk gevormde psycholoog, zijn de kwaliteitsnormen de normen van de wetenschappelijke psychologie. Ook zonder Frye– en Dyas–test is dat evident. Immers, de autoriteit van de deskundige moet volgens de wet berusten op de wetenschap die hij vertegenwoordigt; die autoriteit valt weg wanneer de deskundige zich onttrekt aan de normen die de kwaliteit kunnen garanderen.

Nu kom ik terug tot mijn oorspronkelijke vraag: kan de therapeut als deskundige in een rechtszaak vaststellen dat zijn cliënt seksueel is misbruikt en door wie? De therapeut die zich profileert als een wetenschappelijk gevormd deskundige, en daarmee het gewicht van de wetenschap aan zijn uitspraken verbindt, moet ook bij zijn uitspraken in de rechtszaal voldoen aan de normen die voor wetenschappelijke uitspraken gelden. De drie belangrijkste normen zijn betrouwbaarheid, validiteit, en controleerbaarheid. Met betrouwbaar bedoel ik dat verschillende onafhankelijke deskundigen die dezelfde methode gebruiken, tot dezelfde conclusie moeten komen. Met valide bedoel ik dat de uitspraken, in dit geval over het verleden, overeenstemmen met wat er in het verleden is gebeurd. Met controleerbaar bedoel ik dat anderen, zelfs leken, de logica van de gedachtengang die tot het oordeel heeft geleid moeten kunnen begrijpen. Deze normen zijn niet onafhankelijk: een uitspraak kan niet tegelijkertijd valide en onbetrouwbaar zijn (maar wel betrouwbaar en niet valide). Laat ik enkele voorbeelden geven van uitspraken die niet aan deze eisen voldoen.

In een zaak die ik onlangs behandelde was er sprake van een cliënt die volgens de ene deskundige depressief was, maar volkomen in staat een samenhangende verklaring af te leggen over het seksueel misbruik dat aan de depressie ten grondslag lag. De volgende deskundige constateerde dat de cliënt leed aan het meervoudige–persoonlijkheidssyndroom, waarbij de vier persoonlijkheden niet van elkaars bestaan afwisten. De persoonlijkheden wisselden elkaar met grote snelheid af, waardoor begrijpelijk werd dat de cliënt onsamenhangende verklaringen aflegde over het verleden. Overigens werd ook dit ziektebeeld geweten aan vroeger seksueel misbruik. Dit geval is een voorbeeld van geringe betrouwbaarheid: de deskundigen komen met stellige, maar moeilijk te verenigen uitspraken.

In een andere zaak, die ik ook dezer dagen heb behandeld, kwam de deskundige tot de conclusie dat een zwanger meisje was misbruikt door haar leraar. Weliswaar kon het meisje, dat zwaar imbeciel was, niet meer uitstoten dan onsamenhangende éénlettergrepige klanken, maar de deskundige wist op grond van een interpretatie van het non–verbale gedrag dat de leraar de schuldige was. Uit een DNA–test bleek vervolgens dat de leraar onmogelijk de verwekker van de vrucht kon zijn. Hier hebben we dus een probleem van afwezige validiteit.

In dezelfde zaak was ook de controleerbaarheid afwezig, aangezien de deskundige niet kon uitleggen hoe je de ware identiteit van een dader kan afleiden uit het non–verbale gedrag van een zwaar imbeciel meisje.

Betrouwbaarheid en validiteit zijn het produkt van een wetenschappelijke analyse en een stapsgewijze vervolmaking van de methode, op grond van terugkoppeling van de resultaten. Van wetenschappers die een uitspraak als deskundige doen, kan worden verwacht dat zij nagaan of die uitspraak wel valide en betrouwbaar is, en dat zij desgevraagd ook kunnen aangeven hoe betrouwbaar en valide de uitspraak is. Bijvoorbeeld, in weer een andere zaak die ik behandelde, deed een deskundige de uitspraak dat de overmatige dikte van de cliënt zeker te wijten was aan het vroegere seksuele misbruik door de vader. Maar denkt u zich de logische positie eens in. Er zijn dikke mensen die niet door hun vader zijn misbruikt, hetgeen betekent dat er meer oorzaken van dikte zijn. Er zijn ook mensen die misbruikt zijn, en die helemaal niet dik zijn. De beroemde Jolanda zou daarvan een voorbeeld kunnen zijn. Dikte is dus niet een noodzakelijk gevolg van misbruik. Wanneer de deskundige niettemin concludeert dat de dikte zeker het gevolg is van het misbruik, kan het alleen gaan om een betrouwbare en valide uitspraak wanneer er andere gegevens zijn die het verband onontkoombaar maken. Let wel, ik zeg niet dat het verband in deze zaak niet bestaat; ik zeg alleen maar dat zonder nadere gegevens het verband niet zeker is, en dat gezegd had moeten worden dat de uitspraak een beperkte betrouwbaarheid en validiteit heeft. Op de nadere vraag van de rechter ‘hoe beperkt’ had de deskundige waarschijnlijk moeten antwoorden dat er geen onderzoek is waaruit de betrouwbaarheid en validiteit kan worden afgeleid. Als rechter had ik dan de deskundige gevraagd om zulke uitspraken niet te doen, omdat ze niet berusten op een inzicht dat aan enig kwaliteitscriterium voldoet.

Sluit de bovenbeschreven redenering het gebruik van klinisch inzicht uit? Aan de ene kant wel. Het volstaat niet te zeggen: ‘Mijnheer de rechter, dat is nu eenmaal mijn klinisch inzicht; ik kan niet aangeven hoe betrouwbaar en valide dat is, en u kunt mijn denkwijze ook niet controleren’. Maar aan de andere kant kan de klinische blik wel degelijk betrouwbaar blijken te zijn, wanneer deskundigen op grond van dezelfde klinische ervaring blijken dezelfde uitspraken te doen. Ook kan de klinische blik blijken valide te zijn, wanneer post–hoc–onderzoek aantoont dat de uitspraken juist waren. Alleen met betrekking tot de controleerbaarheid is er een klein probleem, dat echter uit de wereld geholpen kan worden door verdergaand onderzoek, dat laat zien welke symptomen of signalen de basis vormen voor de klinische blik van een deskundige die zich daarvan mogelijk niet eens bewust is. Ik sluit de klinische blik dus absoluut niet uit, mits maar verwezen kan worden naar de bijbehorende rechtvaardiging. De uitspraak van een deskundige uit het zuiden des lands: ‘Ik ben niet bevoegd, maar wel bekwaam’ biedt mij onvoldoende houvast in dit opzicht. Die bekwaamheid zou bijvoorbeeld tenminste moeten blijken uit een evaluatie van de eigen prestaties, die aantoont welke validiteit vroegere uitspraken kennelijk hadden. Liever nog uit een systematische gewoonte om de eigen methode aan te scherpen op grond van zulke analyses. Deskundigen die nooit terugkijken, en niets over hun prestatie kunnen zeggen, behalve dan de veelgehoorde verzekering dat ze het nog nooit mis gehad hebben, voldoen niet aan de eisen van wetenschappelijkheid. En dat komt niet doordat ze een klinische blik zouden gebruiken, maar doordat hun klinische blik niet is getoetst, gevalideerd, en bijgesteld op grond van zorgvuldige analyse.

De vraag of iemand het slachtoffer is geworden van seksueel misbruik valt mijns inziens geheel binnen het deskundigheidsgebied van een klinisch psycholoog. Wanneer de bijbehorende symptomatologie bekend is, op betrouwbare wijze en controleerbaar kan worden vastgesteld, voorzien van validiteitsindexen, kan de klinisch psycholoog daarover als deskundige een verklaring in de rechtszaal afleggen. De validiteit hoeft alleen maar bekend te zijn, niet hoog. Zolang de deskundige kan aangeven wat de beperkte validiteit is, is iedere uitspraak met een validiteit groter dan nul verantwoord. Maar nu komt mijn probleem. U hebt geen lijst van symptomen, die wijzen op seksueel misbruik, die u betrouwbaar kunt vaststellen, en waarvan u de validiteit getalmatig kan aangeven. De lijst van symptomen die ik in rechtszaken tegenkom is schier onbegrensd. Alles lijkt te tellen. Teruggetrokkenheid en overdreven sociabiliteit. Afkeer van seksuele thema’s en te grote belangstelling voor seksuele thema’s. Dikte en magerte. Achterstand en uitblinken. In het recente boek van Loftus en Ketcham vindt u een symptoomlijst die zo’n beetje al het menselijk gedrag omvat. Er is geen enkel deugdelijk onderzoek naar de manier waarop die symptomen worden vastgesteld, en hoe valide die symptomen het seksueel misbruik voorspellen, of liever ‘na’spellen. U hebt uw werk op dit punt gewoon in het geheel niet gedaan, en hoort daarom gezamenlijk uw mond te houden over de vraag of een cliënt seksueel is misbruikt. Uw gevoelen op dit punt is irrelevant, want het komt niet voort uit wat uw wetenschap u leert. Ik ben bereid mijn mening op dit punt te herzien wanneer u me één, slechts één , rapport aan een rechter laat zien waarin op grond van klinische symptomen op verantwoorde wijze de mening is geadstrueerd dat iemand seksueel is misbruikt. Daarbij is het argument van de klinische blik dus niet voldoende: er moet worden aangetoond hoe betrouwbaar en valide die klinische blik is, en liefst ook hoe die werkt.

Van een geheel andere orde is de vraag wie de eventuele dader zou zijn. De mening dat de klinisch psycholoog die vraag ook kan beantwoorden moet zijn geënt op de veronderstelling dat de klinisch psycholoog symptomen kan waarnemen die specifiek op een bepaalde dader wijzen. Die symptomen zouden dan betrouwbaar vastgesteld moeten worden, en valide moeten zijn voor de aanwijzing van de specifieke dader. Bijvoorbeeld, bepaalde symptomen zouden zich alleen moeten voordoen als de vader de dader is, niet als het de moeder was, of de opa, of de gymnastiekleraar. Andere symptomen zouden specifiek moeten zijn voor de buurman ter rechterzijde, in tegenstelling tot de overbuurman, de buurman ter linkerzijde, de gymnastiekleraar of de chauffeur van het schoolbusje. Men zou eenvoudigweg kunnen zegen dat het noemen van de dader door het slachtoffer zo’n symptoom is. Maar dat is het niet, en wel om diverse redenen. De belangrijkste reden is wel dat de rechter daarvoor geen deskundige nodig heeft: die kan ook wel horen of lezen wat de getuige beweert. Het inroepen van de deskundige gebeurt omdat de rechter gebruik wil maken van een wetenschap die hij zelf niet beheerst. De verklaring van de deskundige dat de vader het heeft gedaan wordt al gauw geïnterpreteerd als berustend op de wetenschap van de klinisch psycholoog. Maar bij de vraag wat de validiteit is van de uitspraak valt de klinisch psycholoog door de mand: de validiteit van het interview met de cliënt is niet bekend, en er is op voorhand geen enkele reden te veronderstellen dat de validiteit hoger is dan de validiteit van een normaal verhoor door politie, rechter–commissaris, of rechter. De therapeutische context zou wel eens veel meer tot onware antwoorden kunnen aanmoedigen dan de strenge situatie van een officieel verhoor. De hypno–therapeutische context doet dat zeker.

Ik denk dat we hier niet zozeer te maken hebben met de nalatigheid van u en uw vakgenoten, maar met een onmogelijkheid. Het is niet mogelijk om symptomen te vinden die valide aanwijzingen voor het daderschap leveren; zo valide dat de rechter mag aannemen dat de deskundige een waarheid over het daderschap heeft ontdekt die niet zonder de tussenkomst van de deskundige gevonden had kunnen worden. Hier gaat het er dus om te bewijzen dat het deskundige–oordeel een meerwaarde heeft. Over deze vraag bestaat thans geen enkel onderzoek, en dus moet u ophouden met in uw rapporten aan rechtbanken verklaringen op te nemen over wie de dader is. Zulke uitspraken zijn op geen enkele manier verantwoord en vormen wat Tuinier ‘gesubsidieerde roddel’ noemde.

Het zou nog kunnen zijn dat de deskundige meer in algemene zin de betrouwbaarheid of authenticiteit van een verklaring kan vaststellen, zodat de verklaring over het daderschap per implicatie wordt gevalideerd. Het antwoord daarop is dat zulke deskundigheid vooralsnog niet bestaat, maar vooral dat die deskundigheid niet binnen het gebied van de klinisch psycholoog wordt gezocht. Zelfs als u zou denken dat er een soort klinische blik voor waarheid en onwaarheid bestaat, wil ik opmerken dat die klinische blik apart voor iedere deskundige gevalideerd zou moeten worden, en daarvan is in de praktijk geen sprake. Het experimenteel–psychologisch onderzoek over het vermogen om ware verhalen te onderscheiden van onware verhalen is weinig belovend.

Samenvattend: de klinisch psycholoog die over seksueel misbruik in de rechtszaal getuigt, moet zich beperken tot wat zijn wetenschap hem leert. Daarbij hoort voorlopig niet het inzicht in de vraag of iemand misbruikt is, en zeker niet het inzicht in de vraag wie dat gedaan zou kunnen hebben. De reden is dat de validiteit en betrouwbaarheid van zulke uitspraken grotendeels onbekend zijn en voorzover bekend zeer laag.

Summary

The answer to the question of whether a therapist as expert on behalf ofthe criminal judge and determine whether aclient has been sexually abused is ‘no’; nor can the therapist as expert determine who the possible perpetrator of sexual abuse is. Statements from scientific ‘experts’ should not be based upon a ‘clinical observation’ but rather must be reliable, valid, and controllable. If the statements of the experts do not satisfy these basic scientific norms, than they must be regarded as reflecting personal opinions, which do not belong to the domain of their scientific expertise. Thus far, it has not been possible to elicit scientifically justifiable expert statements regarding whether or not sexual abuse has been committed.

Referenties

Loftus, E., & Ketcham, K. (1994). The myth of repressed memory: False memories and allegations of sexual abuse. St. Martin’s.

Pendergrast, M. (1994). Victims of memory: Incest accusations and shattered lives. Upper Access.

Tuinier, S. (1989). De psychiater en de wilde man: een veldstudie over de relatie psychiatrisch syndroom en criminaliteit (ongepubliceerde dissertatie). Amsterdam: Vrije Universiteit.