Jaargang 12 (1992)
Nummer: 4
Artikel: 399

Ik had nog nooit van James J. Walsh gehoord tot ik hem in een catalogus van een antiquariaat vermeld zag als auteur van twee boeken. Ik kocht ze meteen omdat ze allebei iets bijzonders leken te hebben.

Psychotherapy (New York–Londen: D. Appleton, 1912); Cures (New York–Londen: D. Appleton, 1923).

Een boek over psychotherapie (Psychotherapy) uit 1912 en van achthonderd bladzijden is ongewoon. De ondertitel lijkt wel te horen bij een boek van een eeuw voordien: ‘Including the history of the use of mental influence, directly and indirectly, in healing and the principles for the application of energies derived from the mind to the treatment of disease’.

Veel soberder maar ook sprekender is de titel van het tweede boek, dat in 1923 verscheen: ‘Cures. The story of cures that fail’. Men krijgt de indrukt dat de auteur eerst uitvoerig de mogelijkheden van psychotherapie heeft beschreven, om een decennium later in een veel bescheidener boekje (291 blz.) de mislukkingen op een rijtje te zetten. Die indruk is evenwel verkeerd. De thematiek van het tweede boek kwam immers al uitvoerig aan bod in Psychotherapy. Misschien had de auteur gemerkt dat de lezers zich vooral voelden aangesproken door zijn kritiek op allerlei genezingsmethoden, zodat hij dit onderwerp in een apart boek uitwerkte.

Het moet voor Walsh wel een frustratie zijn geweest dat zijn opus magnum niet meer bekendheid genoot. Hij had het zelf nochtans weinig bescheiden voorgesteld: ‘So fas as the author knows, this is the first time in the history of medicine that an attempt has been made to write a text–book of the whole subject of psychotherapy’ (p. vii). In de stijl van een solide medisch handboek wil hij aantonen dat psychotherapie een rol speelt in de behandeling van zowat alle medische aandoeningen, zowel functionele als organische. Psychotherapie is dan op te vatten als het gebruik van alle gunstige invloeden op de gezondheid, die men vooral door suggestie kan mobiliseren. Geloof, hoop en wil om te genezen, daar gaat het om in elke therapie. De concrete psychotherapeutische methode is tijd– en cultuurgebonden, aldus Walsh, die beseft dat met de eeuwwisseling het tijdperk van het psychisme begon. Zo heeft hij zelf nog het hoogtepunt en de snelle deemstering van de hypnose meegemaakt. In Psychotherapy bespreekt hij dit nog vrij positief, maar tien jaar later in Cures begint het hoofdstuk over hypnose aldus: ‘What a huge joke on that last generation of the last century hypnotism proved to be!’ (p. 142).

Psychotherapy begint met een uitvoerig historisch overzicht. Doorspekt met amusante anekdotes komt Walsh tot de conclusie dat door de eeuwen heen de goedgelovigheid van mensen is gebruikt en misbruikt door genezers van allerlei allooi. Het komt allemaal in essentie neer op suggestie of mentale beïnvloeding, of het nu gaat om amuletten of magneten, pillen of psychoanalyse. (Dit laatste wordt in Psychotherapy kort vermeld in het deel over hysterie). Walsh beschouwt Freuds therapiemethode als een typisch voorbeeld van een genezings–methode die ‘werkt’ zolang ze nieuw is, maar mettertijd – wanneer eenmaal een bepaald punt van bekendheid is overschreden – onvermijdelijk aan invloed verliest. In Cures wordt een apart hoofdstuk gewijd aan de psychoanalyse, door Walsh in gezelschap geplaatst van de methode–Coué, de positieve zelfsuggestie (de boodschap van de Franse apotheker Emile Coué was ook in de USA enorm populair in de jaren twintig van deze eeuw). Kan Coué nog op enige sympathie van de auteur rekenen, Freud krijgt er flink van langs:

Walsh refereert in zijn kritiek op Freud ook aan uitspraken van Knight Dunlap; zie W. Vandereycken, De ‘negatieve oefening’ van Dunlap (1932), Directieve Therapie en Hypnose 1991, 11, 57–65.

‘The twentieth century seized on psychoanalysis, just as the late nineteenth century grabbed on to hypnotism. (…) Manifestly the ignorance of psychology of both generations was monumental’ (p. 228–29); ‘Freud’s symbolism of dreams is one of the weirdest contributions to presumed psychology ever made’ (p. 239); ‘I have never known any one permanently benefited by psychoanalysis’ (p. 245).

Zowel in het afzweren van de hypnose als het kritiseren van de psychoanalyse en het adviseren van een meer ‘rationele’ psychotherapie lijkt Walsh op tijdgenoten als Burlureaux, Dubois en Münsterberg.

De minst bekende van dit trio is de Fransman Charles Burlureaux wiens Traité pratique de psychothérapie (1914) ik elders besproken heb: De ‘moraal’ van de psychotherapie – een excursie naar 1914 (Tijdschrift voor Psychiatrie 190, 32 (Editio Amicorum), 7–12). De Duitse Amerikaan Hugo Münsterberg is vooral bekend als experimenteel psycholoog (opvolger van William James in Harvard), maar hij schreef ook het vrijwel vergeten boek Psychotherapy (New York: Moffat, Yard and Company, 1909). De Zwitser Paul Dubois kreeg ruime weerklank met zijn boek Les psychonévroses et leur traitement moral (Parijs: Masson, 1904) dat ook in het Duits en Engels werd vertaald. Zijn pleidooi voor zelf–suggestie in plaats van hypnose werd overgenomen door de invloedrijke Franse zenuwarts Joseph J. Dejerine; hij schreef, met E. Glauckler, het boek Les manifestations fonctionelles des psychonévroses: leur traitement par la psychothérapie (Parijs: Masson, 1911), dat ook in het Engels werd vertaald. Walsh haalt Dubois (zonder bronvermelding) kort aan in Psychotherapy (p. 725) en Münsterberg wordt in beide boeken geciteerd (Psychotherapy p. 75, 187, 779; Cures p. 233–34).

De patiënt moet terug geloven in zijn eigen mogelijkheden, de aandacht afwenden van zijn klachten door allerlei (fysieke en mentale) activiteiten en een aantal gezonde levensgewoonten herstellen.

Walsh heeft een opvallende belangstelling voor het eetgedrag en het gewicht van zijn patiënten. Regelmatig benadrukt hij dat slechte eetlust en vermagering aan de oorsprong kunnen liggen van vele klachten en dat deze vaak verdwijnen als de patiënt een paar kilo’s aankomt. Toevallig vond ik elders twee referenties van Walsh die op voeding betrekking hebben (beide verschenen in International Clinics): Neuroses and psychoneuroses and the therapeutic value of food (1921, 41/4, 166–174); Eating as a therapeutic measure (1932, 42/2, 95–117).

De therapeut is de raadgever die nadrukkelijk geruststelt, rationele verklaringen geeft en eenvoudige aanbevelingen doet. Geen hocuspocus, maar ‘geesteshygiëne’. De boodschap is simpel en het gezond verstand de inspirator. Te simpel, te weinig inspiratie? Kreeg Dubois nog een plaatsje in de geschiedenis van de psychotherapie, het werk van Burlureaux, Münsterberg en Walsh is vergeten. Misschien ligt dit niet enkel aan de wat kleurloze inhoud van deze boeken, maar ook aan hun wat saaie stijl.

Na 150 bladzijden in Psychotherapy heb je de essentie al ruimschoots gelezen; de rest is uitweiding en herhaling. In de volgende 650 bladzijden wil Walsh duidelijk maken dat suggestie van belang is bij de etiologie en therapie van zowat alle ziekten. Om dit aan te tonen bespreekt hij systematisch de belangrijkste orgaansystemen en ziektebeelden, van angina pectoris tot arthritis deformans, van tuberculose tot prostatisme, van impotentie tot hysterie. Als naslagwerk kan het nog interessant zijn, maar het geheel mist originaliteit. Wel zijn de vele voorbeelden en citaten vaak plezierig om te lezen. Zo bespreekt Walsh bij de geheugenstoornissen (p. 685) het voorbeeld van een schrijver die bij het lezen van een eigen tekst niet meer weet dat hij zelf de auteur ervan is. Grappig genoeg betrapte ik Walsh zelf op dergelijke ‘tricks of memory’. Van ene Dr. Parry uit het negentiende eeuwse Bath citeert hij: ‘It is much more important to know what sort of a patient has a disease, than what sort of a disease a patient has’ (p. 163). Maar hetzelfde aforisme werd eerder (p. 10) toegeschreven aan Hippocrates. Een ander voorbeeld: een van de meest vooraanstaande Amerikaanse hartspecialisten zou beweerd hebben het korte leven van de zalm te verkiezen boven het lange leven van de schildpad (p. 338); verderop schrijft Walsh echter dat ‘meer dan een’ dit ooit zou hebben gezegd (p. 517). Ook met het auteurschap van een derde citaat loopt er wat mis: vele patiënten zeggen dat ze iets ‘niet kunnen’, terwijl hun vrienden beweren dat ze ‘niet willen’, maar de ervaren arts zal zeggen dat ze ‘niet kunnen willen’. Deze ‘waarheid’ wordt eerst in de mond gelegd van de Franse professor Grasset (p. 597) en later toegeschreven aan Sir James Paget (p. 737).

Psychotherapy is een uit de pan gerezen brood waarin wel aardige krenten verstopt zitten. Naar analogie met eerdere bijdragen in dit tijdschrift

Buiten het stuk over Dunlap (zie noot 2) verwijs ik de lezer naar: Alexander Herzbergs ‘Active Psychotherapy’ (1945): te vroeg geschreven, te lang vergeten (Dth 1989, 9, 87–95); Andrew Salters ‘Conditioned Reflex Therapy’ (1949): hoe word je een gelukkige automaat? (Dth 1989, 9, 169–180).

wil ik de lezer even laten meeproeven. In het hoofdstuk over ‘Influence of the personality in therapeutics’ staat de volgende passage die ook vandaag nog actueel is: ‘All unsuspected during most of the time, it was the personal influence of the physician that counted for most in all of the historical vicissitudes of therapeusis. It mattered not that the means he employed might seem absurd to the second succeeding generation, as was so often, indeed almost invariably, the case, his personal influence has at all times overshadowed his available therapeutic auxiliaries. In spite of all our advance in scientific medicine, to a considerable degree this remains true even at the present time, and to fail properly to use this important auxiliary is to cripple medical practice’ (p. 69).

Ik vermeldde reeds dat het boeiend is de tekst over hypnose (p. 151–162) te vergelijken met de opmerkingen tien jaar later in Cures (p. 142–157). Walsh was wel voorzichtig in het aanprijzen van hypnose en wilde het in elk geval ontdoen van zijn mysterieuze en mirakuleuze bijbetekenissen. ‘The most important thing to know about hypnotism is the fact that any one who wishes can hypnotize. (…) Nothing is more surprising to the operator himself, the first time he succeeds, than his success’ (p. 158). ‘Anything that restores self–confidence and gives patients the feeling that they can conquer inclinations, tendencies, even habits, if they only will, merely by firmly resolving to do so, is the best possible mental influence for them. The hypnotic relief is always easier, but nothing that is easy is likely to be of lasting value’ (p. 162).

Walsh onderlijnt ook de overeenkomst tussen hypnotische toestanden (met verdwijnen van herinnering) en wat toen bekend stond als dubbele persoonlijkheid of ‘secondary personality’ (p. 147–151). Nu dissociatiefenomenen en meervoudige persoonlijkheden weer tot de diagnostische actualiteit behoren, is het wijs te luisteren naar de waarschuwing van Walsh, dat zowel suggestie van de onderzoeker als zelf–suggestie van de neurotische patiënt dit soort verschijnselen kan creëren. ‘Those who like to have some excuse for self–indulgence take refuge in this supposedly scientific explanation to absolve them from blame, and from the necessity of self–control. (…) From the beginning of written history, man has always been inclined to find some scapegoat for his failings’ (p. 148).

In het hoofdstuk over ‘sexual neuroses’ (p. 472–482) staat een advies à la Masters & Johnson voor psychogene impotentie: ‘His (the patient’s) dread of incapacity will become an obsession. Probably the most effective means of treating this is to forbid him to attempt the sexual act for a definite length of time, say two or three weeks. This must be impressed upon him. There is a good reason for insisting that he shall not irritate his already excited sexual system by such attempt. Usually at the end of a week or ten days he will come back with a smiling look of confidence in himself and his physician, to confess that he has violated the injunction, but that he was not disappointed as before’ (p. 476).

In het hoofdstuk over ‘dreads’ (p. 612–627) heeft Walsh het over allerlei fobieën. Eigenaardig genoeg gaat hij uitvoerig in op de vrees voor katten, die in zijn tijd erg vaak voorgekomen moet zijn. Hij herkent in vele fobieën een leergeschiedenis van vermijdingsgedrag; met aanmoediging en zelfdiscipline moet de patiënt ertoe worden gebracht de angst door oefenen te overwinnen. ‘With reasonable perseverance most people can, if not cure themselves of these affections, at least greatly lessen the discomfort due to them’ (p. 614).

Tot daar enkele excerpten die tonen dat Walsh een aanpak van ‘het gezond verstand’ propageerde. Zijn werk kent geen hoogdravende theorieën maar een simpele zakelijkheid. Hier en daar klinkt het simplistisch en naïef. Toch geeft de auteur blijk van scherpzinnigheid en een sterk vermogen tot observeren. Het doet weinig Amerikaans aan. Ik poogde daarom de persoon van de schrijver beter te leren kennen en in zijn boek Psychotherapy zitten heel wat auto–biografische feiten verweven. Uit het titelblad blijkt dat hij medicus en psycholoog is,

Er staat achter zijn naam ‘M.D., Ph.D.’, wat betekent dat hij de titel van doctor in de medicijnen en in de filosofie (i.c. psychologie) behaalde. Op het titelblad van Cures staat als derde titel ‘Sc.D.’ vermeld: een doctoraat in de wetenschappen (biologie?).

‘Dean and professor of Functional Nervous Diseases and of the History of Medicine at Fordham University School of Medicine, and of Physiological Psychology at the Cathedral College, New York’.

In 1923 waren zijn functies, blijkens het titelblad van Cures, gewijzigd: ‘Professor of physiological psychology, Cathedral College and College of the Sacred Heart (Manhattanville), New York City; extension professor, Fordham University; lecturer in psychology, Marywood College, Scranton, Pennsylvania’.

Hij ging op school bij de Jezuïeten en bracht een belangrijk deel van zijn universitaire studietijd door in Europa. Zo studeerde hij geneeskunde in Wenen en in Berlijn, waar hij in het Charité–ziekenhuis de beroemde patholoog Virchow van nabij leerde kennen. (Hij werkte een tijd in diens laboratorium en ook in de kliniek van Koenig.) Rond 1895–1897 verbleef hij in Parijs. Terwijl hij in de Salpêtrière–kliniek werkte bij professor Raymond (de opvolger van Charcot) maakte hij kennis met de controversen over hypnose à la Charcot (die kort tevoren, in 1893, overleden was). Hij moet zeker Pierre Janet hebben ontmoet die er een speciaal laboratorium leidde. Verder was Walsh nog een tijdje werkzaam bij de invloedrijke psychiater Valentin Magnan in het asiel Sainte Anne en bij de sifilisexpert Alfred Fournier. Na een bezoek aan de beroemde neuroloog Ramon y Cajal in Madrid in 1900 geraakte Walsh zo in de ban van diens theorie over het functioneren van het zenuwstelsel, dat hij zorgde voor een Engelse vertaling in de International Clinics. Vermoedelijk door zijn brede achtergrond en talenkennis was Walsh verbonden aan de redactie van dit tijdschrift, waarin ook talrijke artikelen van zijn hand verschenen.

In Psychotherapy staan er verwijzingen naar vier artikelen in dit tijdschrift: naast dat over de theorie van Ramon y Cajal (1902) verschenen drie andere in 1899 (over loodvergifiting, over stotteren en over gehoorstraining bij doven); zie ook noot 4. Verder vinden we verwijzingen naar twee artikelen in The American Journal of the Medical Sciences (een uit 1903 over rheuma en een bijzonder artikel over ‘Responsibility and punishment’ uit 1909, dat uitvoerig geciteerd wordt in Psychotherapy, p. 741–44) en naar twee artikelen in Medical News (over een geval van bradycardie, 1900; over vroege diagnose van tuberculose, 1904).

Hij was zeker een produktief schrijver: ik vond zes boektitels naast de twee hier besproken werken.

Het titelblad van Cures vermeldt hem als auteur van o.a. The thirteenth – greatest of centuries en Health through will power en in de tekst verwijst hij nog naar History of medicine in New York (New York: Americana Society, 1917). In Psychotherapy worden nog volgende boeken vermeld: Pastoral medicine (Longman, 1906; geschreven samen met O’Malley), Catholic churchmen in science (Philadelphia: Dolphin Press 1909) en Old–time makers of medicine (Fordham University Press, 1911).

Zelf vermeldt hij in Psychotherapy (p. 396) dat hij als ‘medical reporter’ soms meer dan tienduizend woorden per dag moest schrijven; toen hij last kreeg van een soort schrijfkramp leerde hij deze verhelpen met een nieuwe schrijfwijze. Nu de schrijfmachine in gebruik is hebben journalisten veel minder last van dergelijke schrijfklachten, aldus de auteur.

Hoewel niet ongewoon voor een academicus van die tijd, blijkt Walsh toch een bijzonder erudiete figuur te zijn geweest: een polyglot die zeer belezen was, medicus en psycholoog tegelijkertijd, docent en praktiserend arts (in New York City). Hij had bovendien een speciale belangstelling voor geschiedenis.

De lange historische inleiding van Psychotherapy is hier reeds getuige van. Hij schreef verder een boek over de dertiende eeuw en twee over de geschiedenis van de geneeskunde (zie noot 9), een vak dat hij ook een tijd doceerde. Hij was lid van onder andere de German Society for the History of Medicine and the Physical Sciences en de St. Louis Medical History Club.

Wellicht leerde de historische distantie hem kritisch kijken naar fenomenen van zijn tijd, i.c. ontwikkelingen in zijn vakgebied. Om dezelfde reden zou ik de lezer de eerste honderd bladzijden van Psychotherapy of passages uit Cures willen aanbevelen – in de stijl van Walsh – als ‘geesteshygiënische’ lectuur. Als u vertrouwen heeft in mijn oordeel zal dit uw vertrouwen in uw geneeskracht sterk beïnvloeden. Is een dergelijke ‘kuur’ niet meer nodig of twijfelt u aan het effect, dan zal de conclusie van Walsh zelf over falende kuren u misschien toch tot lectuur verleiden: ‘It is easy to see, however, that we have a crop of ‘‘cures’’ that will probably fail all ready for the reaper who comes to gather them into his barns and store them away. I think that we have more candidates for places in this very interesting chapter of medical history than they have ever had in the past. This book has been written not with the hope that we would prevent them from developing, for given human nature as it is that seems out of the question, but so that we shall at least not take ourselves too seriously. This is the funniest chapter, I think, in the history of medicine. But so far it has only been funny for the succeeding generations who found out that the vaunted ‘cures’ were no good. Why should not the present generation itself share some of the fun?’ (Cures, p. 27).