Jaargang 30 (2010)
Nummer: 2
Artikel: 73

Samenvatting

Cliënten met persoonlijkheidsproblematiek worden veelal getypeerd door een eenzijdige, hardnekkige en extreme interactionele opstelling. Het realiseren van een constructieve werkrelatie is niet vanzelfsprekend. Dit kan het moeilijk maken om klachtgerichte protocollen gericht uit te voeren en effectief te laten zijn bij deze doelgroep.

Het artikel beschrijft een probleemanalysemodel en een analysemodel voor de interactiestijl. Deze modellen kunnen behulpzame kaders bieden om de complexe probleemgebieden van cliënten met zowel as-I- als as-II-problematiek te ordenen, te blijven focussen op de klachten, en iedere boodschap van de cliënt te kunnen beantwoorden met een respons die bijdraagt aan een goede werkrelatie. Voorgesteld wordt om cliënten aan het eind van een succesvolle as-I-behandeling een vervolgbehandeling aan te bieden gericht op de persoonlijkheidsproblematiek, bij dezelfde therapeut. Deze werkwijze heeft implicaties voor de opleiding van therapeuten en de zorgprogrammering van ggz-instellingen.

Summary

Clients with personality problems are characterized by interactional positions that are limited in variety, rigid, and extreme in intensity. This makes a constructive therapeutic work alliance a more difficult matter. For that purpose we propose for the therapist the use of two models: a model for problem analysis and a model for the analysis of the interpersonal patterns. Those models can be helpful frameworks for ordering clients’ complex problem areas, keeping the focus on the axis I problems, and replying to the clients’ messages in ways that contribute to a constructive therapeutic working alliance. While constructively working on the axis I problems, we propose to offer the client further treatment with the same therapist aimed at the personality problems. This approach has implications for the education of therapists and the health care organization of mental health institutions.

Referenties

Arntz, A. (2006). Is depressie met comorbide persoonlijkheidsstoornissen moeilijker te behandelen? Maandblad Geestelijke volksgezondheid, 61, 647-650.

Beck, A.T., Freeman, A., Davis, D.D. & Associates (2004). Cognitive therapy of personality disorders. New York: The Guildford Press.

Becker, C.B., Zayfert, C. & Anderson, E. (2004). A survey of psychologists’ attitudes towards and utilization of exposure therapy for PTSD. Behaviour Research and Therapy, 42, 277-292.

Colijn, S., Snijders, H. & Trijsburg, W. (2009). Wat is integratieve psychotherapie? In S. Colijn, H. Snijders, M. Thunissen, S. Bögels & W. Trijsburg (Red.), Leerboek psychotherapie (pp. 159-168). Utrecht: de Tijdstroom.

Dreessen, L. & Arntz, A. (1998). The impact of personality disorders on treatment outcome of anxiety disorders: Best-evidence synthesis. Behaviour Research and Therapy, 36, 483-504.

Dreessen, L., Arntz, A., Luttels, C. & Sallaerts, S. (1994). Personality disorders do not influence the results of cognitive behavior therapies for anxiety disorders. Comprehensive Psychiatry, 35, 265-274.

Dreessen, L., Hoekstra, R. & Arntz, A. (1997). Personality disorders do not influence the results of cognitive and behavior therapy for obsessive compulsive disorder. Journal of Anxiety Disorders, 11, 503-521.

Freiheit, S.R., Vye, C., Swan, R. & Cady, M. (2004). Cognitive-behavioral therapy for anxiety: Is dissemination working? Behavior Therapist, 27, 25-32.

Hafkenscheid, A. (2004). De interpersoonlijke communicatietheorie van Donald J. Kiesler (1). De theorie. Psychopraxis, 06, 15-19.

Hellenbrand, I., Tiemens, B. & Appel, T. (2007). Lange behandelingen ontberen scherpe behandeldoelen: Een exploratief onderzoek naar mogelijkheden voor verkorting van de wachtlijst. Psychopraxis, 09, 90-93.

Hout, M. van den, Brouwers, C. & Oomen, J. (2006). Geen effecten van klinisch vastgestelde as-II-comorbiditeit op resultaten van cognitieve gedragstherapie. Directieve therapie, 26, 203-214.

Keijsers, G.P.J., Schaap, C.P.D.R. & Hoogduin, C.A.L. The impact of interpersonal patient and therapist behavior on outcome in cognitive-behavior therapy: A review of empirical studies. Behavior Modification, 24, 264-297.

Kool, S., Dekker, J. & Schroevers, R. (2007). Depressie en persoonlijkheidspathologie. In E.H.M. Eurelings-Bontekoe, R. Verheul & W.M. Snellen (Red.), Handboek Persoonlijkheidspathologie (pp. 353-369). Houten: Bohn Stafleu Van Loghum.

Lietaer, G. (2008). Contouren van het cliëntgericht-experiëntiële paradigma. In G. Lietaer, G. Vanaerschot, J.A. Snijders & R.J. Takens (Red.), Handboek Gesprekstherapie. De persoonsgerichte experiëntiële benadering (pp. 11-24). Utrecht: de Tijdstroom.

Minnen, A. van (2008). Wie durft? Tien misverstanden over exposure bij de behandeling van PTSS-patiënten. Gedragstherapie, 41, 313-329.

Mulder, R.T., (2002). Personality pathology and treatment outcome in major depression: a review. American Journal of Psychiatry, 159, 359-371.

Rombouts, W. & Scholing, A. (2003). Ernstige angststoornissen: een model voor probleemanalyse. Directieve therapie, 23, 192-210.

Vandenberghe, J. (2009). De neurowetenschappen, een zegen voor de psychotherapie? Tijdschrift voor Psychotherapie, 35, 18-24.

Visser, S., Balkom, A. van (2007). Angststoornissen en persoonlijkheidspathologie. In E.H.M. Eurelings-Bontekoe, R. Verheul & W.M. Snellen (Red.), Handboek Persoonlijkheidspathologie (pp. 371-385). Houten: Bohn Stafleu Van Loghum.

Waller, G. (2009). Evidence-based treatment and therapist drift. Behaviour Research and Therapy, 47, 119-127.